Geplaatst door: 
Verhaal

Vooroorlogse herinneringen van een dienstbode uit Zwollerkerspel (deel 2)

Auteur: 
Mini Buit en Freek Peereboom

Dit artikel is een vervolg op deel 1. Klik hier voor deel 1.

Visites

Van tijd tot tijd ontving het echtpaar Cremers gasten. Zij behoorden zonder uitzondering tot de politieke bovenlaag van Overijssel: de families Van Voorst tot Voorst, de Vos van Steenwijk, Van Rechteren, en Van Sonsbeek. Als er een groot gezelschap was, hadden Grada en ik de zorg voor het diner. Ik moest dan aan tafel bedienen.

Een graag geziene gaste van mevrouw was gravin Van Rechteren uit Dalfsen. Ik weet nog dat ze een prachtige rode pruik droeg. Op een dag belde mevrouw haar op, maar ze kon geen gehoor krijgen. Toen vroeg ze mij of ik op de fiets naar kasteel Rechteren wilde gaan om een brief te brengen. Het epistel was in het Frans geschreven. Bij het kasteel aangekomen, zei een dienstbode me dat ik de gravin in het park kon vinden. Ik fietste verder en na enig zoeken kwam ik haar tegen. Ik overhandigde haar het briefje, dat ze welwillend aannam. Zonder een woord tegen me te zeggen schreef ze er haar antwoord op en ik kon de terugweg aanvaarden.

Enkele keren in de herfst hield mijnheer Cremers met zijn vrienden een jachtpartij in de omgeving. De boeren werd dan gevraagd om als drijvers op te treden. Bij die gelegenheid maakten wij altijd stamppot zuurkool met spek klaar. Tegen één uur reed oom Johan met de pannen naar boerderij Westers bij Giethmen. In de middag kwamen de dames, om ’s avonds aan het diner deel te nemen.

Een mengelmoes van herinneringen

Grada en ik gingen wel eens op bezoek bij een van de pachtersgezinnen. Zo herinner ik me de familie Jutten nog. Maar omdat wij de meiden van het Huis waren, was het moeilijk ongedwongen met elkaar om te gaan. Wij merkten dat de mensen zorgvuldig alles vermeden dat als kritiek op hun pachtheer opgevat zou kunnen worden. Kennelijk waren ze bang dat wij iets zouden overbrieven. Van hun kant probeerden zij ons juist uit te horen over het wel en wee in huize Vilsteren. En boven ons allen hing de schaduw van mevrouw. Zij onthield bij wie we geweest waren en kon - zelf op bezoek bij onze gastheer of -vrouw - zo langs haar neus weg vragen: "Anna en Grada zijn hier toch geweest? En, hebben ze wat verteld? Staat het hun op Vilsteren nog een beetje aan?"

In Vilsteren heb ik op 10 augustus 1925 de storm meegemaakt, die de geschiedenis is ingegaan als de cycloon van Borculo. Het was heel mooi weer die dag, erg heet en volkomen windstil. Tegen de middag betrok de lucht en het werd angstwekkend donker. Wij verwachtten elk ogenblik dat het noodweer zou losbarsten. En toen stak de storm op. Nu lag er in het park rondom het huis een vijver met een eiland,  waarop uitheemse bomen waren geplant. Vanuit de kamer zagen we hoe deze door de wind tot bijna aan de grond toe werden gebogen. Gelukkig viel de schade erg mee: wat pannen van het dak, enkele bomen afgeknapt en de kap van een hooiberg afgewaaid.

Net als bij de familie Vos de Wael had ik op huize Vilsteren een keer in de veertien dagen een zondag vrij: 's ochtends vroeg weg en maandagmorgen terug. Ik ging altijd op de fiets naar Varsen; een prachtige tocht over slingerende paadjes tussen roggevelden.

Er moest bij mijn ouders een nieuwe hooiberg komen. De werkbaas van Vilsteren liet daartoe enkele bomen omzagen en gaf zijn neef, de timmerman Bijvang uit Dalfsen, opdracht het bouwsel te maken. Ik was in die dagen bij mijn ouders, omdat meneer en mevrouw in Zwitserland op vakantie waren. Zodoende maakte ik toevallig kennis met Gerrit die zijn vader bij de bouw hielp. Nu liepen onze kippen altijd vrij rond, en op die dag hadden we opvallend weinig eieren. Moeder dacht dat de hennen ze in het bos gelegd hadden. Zij vroeg mij of ik wilde gaan zoeken. Gerrit bood aan te helpen. Onderweg vroeg hij bescheiden of hij me eens een kaartje mocht sturen. "Dat mag je wel doen, maar ik beloof niet dat ik je er een terugstuur", antwoordde ik niet bepaald vriendelijk. Toch werd dit het begin van onze verkering.

Die penitentie was een pestilentie

Vroeger was het bij rooms-katholieken gebruik om bij wijze van boetedoening op bepaalde dagen - bijvoorbeeld Aswoensdag en Goede Vrijdag - te vasten. Dat wil zeggen: minder eten, geen vlees en geen snoep. Ik vertelde al, dat mevrouw aan de zuinige kant was met het toedelen van etensporties aan ons. Op zekere dag kwam ik in de keuken, waar ik van Grada hoorde dat mevrouw ons een dag van vasten had opgelegd. Zij had daarom niet meer dan een paar dun gesneden boterhammen voor ons achtergelaten. Ik werd nijdig en zei tegen Grada: "Is ze nu helemaal? We zijn jong en hebben juist behoefte aan veel boterhammen. Als we die van mevrouw niet krijgen ga ikzelf wel brood kopen'" Ik ging boven geld halen en liep met de witte schort voor naar bakker Klomp. Toen ik het brood bestelde vroeg hij of het op de rekening van mevrouw moest. "Nee", zei ik, "Het is voor mezelf!" Nu, je kunt begrijpen dat het als een lopend vuurtje door de buurschap ging dat de meid van het Huis brood had gekocht.

Vanuit de eetkamer hadden meneer en mevrouw gezien dat ik weg was gegaan. Zodra ik terug was werd er twee keer gescheld, het teken dat ik verwacht werd. Op de vraag waar ik geweest was gaf ik eerlijk antwoord. Toen meneer het hoorde werd hij zo nijdig, dat hij zijn stoel pakte en met z'n rug naar ons toe ging zitten. Daarop veegde mevrouw me de mantel uit. Enkele dagen lang sprak zij nauwelijks tegen me. De zondag daarop moest ik opnieuw bij hen komen; in het kantoor van mijnheer. Bestraffend sprak hij me toe: "Anna, ga zitten. Wat je ons van de week hebt aangedaan is meer dan erg; een schande voor Vilsteren'" Ik wees hem erop dat ik

niet anders had kunnen doen, omdat mevrouw ons te weinig brood had gegeven. Mijnheer wilde me het geld teruggeven, maar ik moest dan wel beloven zoiets nooit weer te doen. "Als wij voortaan genoeg te eten krijgen zal het ook niet meer gebeuren", antwoordde ik. Toen ik de zondag daarop bij mijn ouders kwam, had het verhaal over het gekochte brood Varsen al bereikt.

Een afscheid met tumult

Het was de gewoonte, dat dienstmeisjes met nieuwjaar van hun werkgever een fooi kregen; door ons de goospenning (godspenning) genoemd. Als je het geld aannam, was dit het teken dat je nog een jaar wilde blijven. Wanneer je weg wilde, moest je te kennen geven geen prijs op de goospenning te stellen. Welnu, dat deed ik. Zij gaf dit door aan haar man. Hij vroeg me waarom ik wilde vertrekken. Ik zei: "Ik vind er niks aan in dat dooie gat Vilsteren". "Wat wil je dan, Anna", vroeg meneer. "Het liefste terug naar Zwolle", antwoordde ik. "Ik vind het toch zo jammer dat je weg wilt", vervolgde hij, "want we zijn aloude mensen; en je doet je werk zo goed. Wil je een nieuwe fiets of meer verdienen, zeg het maar". Het viel me niet mee om tegen zoveel welwillendheid in m'n zin door te zetten, en ik kon mijnheer toch niet zeggen dat de ware reden het moeilijke karakter van mevrouw was. En dus hield ik maar vol dat ik niet anders kon, omdat ik er maar niet in slaagde aan de eenzaamheid van Vilsteren te wennen.

Vanaf die dag was de verhouding tussen mevrouw en mij danig bekoeld. En op een dag kwam het tot een hevige uitbarsting. Op de bewuste dag kon ik in de ogen van mevrouw blijkbaar geen goed doen. Wij stonden op de overloop van de bovenste verdieping, toen zij weer over mijn vertrek begon. Ze zei tegen me: "Anna, je weet toch nog wel dat mijnheer ervoor gezorgd heeft dat je vader en moeder op dat boerderijtje in Varsen konden komen? En toon jij je niet ondankbaar door zomaar op te zeggen?"

Toen werd ik boos en riep: "Als u mijn ouders niet wilt hebben, jaagt u hen maar weg!" De ruzie hield aan en ik werd steeds nijdiger. Op een gegeven ogenblik flapte ik eruit: "Ik blijf geen minuut langer; ik ga onmiddellijk naar huis toe!" Terwijl ik bezig was mijn arm in m'n jas te steken, begon mevrouw aan de andere mouw te trekken: "Houd je toch stil, rustig aan jij; wat moet Gellius wel denken als hij ons zo hoort",

siste ze me toe. Ik werd kalm en dacht: "Het is ook moeilijk voor hen, want Grada is ook al met ruzie weggegaan. En dan, ik heb toch al opgezegd. Die paar weken houd ik het nog wel uit". Ik ben toch maar gebleven en werkte die laatste weken in een sfeer van gewapende vrede. Na tweeënhalf jaar kwam zo het eind van mijn Vilsterense tijd.

Dienster in hotel De Zon in Ommen

Naar De Zon

Wanneer op huize Vilsteren schoenen gerepareerd moesten worden, ging ik altijd naar schoenmaker Van Kesteren in Ommen. Toen ik daar kort na afloop van mijn dienstbetrekking in mei weer eens was, hoorde ik van zijn vrouw dat haar broer - de eigenaar van hotel De Zon dringend om hulp verlegen zat. Hij was voor de tweede keer weduwnaar geworden en had drie kinderen, van wie de twee kleinsten nog te jong waren om in het bedrijf mee te werken. Ik zou zowel in de huishouding als in het hotel moeten helpen. Het stond me wel aan en daarom ging ik meteen naar De Zon toe om met eigenaar Johannes Lokin over de zaak te praten. We kwamen tot overeenstemming. Ik zou in de bediening werken, de zorg voor het linnengoed hebben en de dochter onder m'n hoede nemen. In mijn nieuwe betrekking zou ik minder verdienen dan op Vilsteren, maar daar stond tegenover dat de helft van de fooien voor mij zou zijn. De keukenmeid kreeg de andere helft.

Hotel-restaurant De Zon was eerder eigendom geweest van Gerhardus Spijkerbos. Na diens overlijden was Lokin met de weduwe Maria Spijkerman hertrouwd, maar na ongeveer een jaar was ook zij gestorven. Omdat deze vrouw geen kinderen had, ging de zaak op Lokin over. Grappenmakers noemden hem daarom wel "slok-in". Deze betiteling was evenwel volkomen misplaatst, want Lokin was een innemend man die iedereen het zijne gaf en gunde. Ik heb in de tijd dat ik bij hem werkte nooit het gevoel gehad een ondergeschikte te zijn; het was alsof ik bij de familie zelf hoorde.

Het hotel had een goede naam. Lokin had zich aangesloten bij een organisatie van hotelhouders, wat met zich meebracht dat hij grenzen stelde aan het gebruik van sterke drank. De keukenmeid stond borg voor de vertrouwde Nederlandse kost; diners werden door Lokin zelf verzorgd.

Er waren, als ik het me goed herinner, zo'n vijfentwintig kamers op de eerste verdieping. Op de tweede bevond zich eveneens een aantal kamertjes, waarvan ik er ook hier één deelde met de keukenmeid. Zij heette Marie en was een stuk ouder dan ik, en de verhouding tussen ons zou nooit worden zoals tussen Grada en mij. Beneden was een grote en een kleine eetzaal, en de cafézaal die we de sociëteit noemden. Er was bovendien een stalhouderij bij het bedrijf. De Zon bestaat nog steeds; vlakbij de Vecht, op het vertrouwde adres Voorbrug 1. Er brak nu een periode in mijn leven aan van keihard werken, met veel plezier en vol afwisseling.

Het leven in De Zon

We begonnen 's ochtends om zeven uur. Eerst moest ik de gasten wakker kloppen, die vroeg wegwilden. De Zon was in die tijd een gewild hotel voor handelsreizigers. Vervolgens maakte ik beneden de tafels klaar. Intussen was de jonge Hendrik Schuurman bezig met het poetsen van de schoenen van degenen die dit de avond tevoren hadden aangevraagd. Tijdens het ontbijt hielp ik aan tafel. Na de ochtendmaaitijd begon ik aan de schoonmaak: het vegen van de kamers en zalen, en het verschonen van het beddengoed van de mensen die vertrokken waren. Het vegen van de vaste vloerbedekking gebeurde met een rolschuier; het zeil met een blok waaromheen een natte doek gewonden zat. De slaapkamers waren met zeil belegd.

Het hotel kende ook een enkele vaste bewoner. Zo iemand was notaris Hospes. Hij had zijn kantoor vlakbij de muziektent. Iedere middag maakte ik voor hem de lunch klaar, die ik hem op zijn kamer bracht. Daarna moest ik de overige gasten aan tafel bedienen. Dit was een uur van haast en drukte.

In de middag maakte ik de zending wasgoed klaar die in Zwolle naar de wasserij ging. Daarna borg ik het schone goed op dat teruggekomen was, en ging meteen na of er iets tussen zat dat hersteld moest worden. Het rondbrengen van drankjes aan de gasten die in de sociëteitszaal of in de tuin zaten, was het werk van de zoons van Lokin. Maar als het 's zomers erg druk was riepen ze mijn hulp nogal eens in.

Tegen zes uur moest ik de tafels weer gedekt hebben. Vanaf dat ogenblik was het enkele uren lang een heen- en weergeloop tussen de keuken en de eetkamers. Je moest maar zien dat je tussen de bedrijven door zelf wat binnenkreeg. Op z'n gunstigst zat mijn werkdag er tegen negen uur op, maar in drukke tijden kwam daar al gauw een uur bij. Ook in de wintermaanden was er voor ons geen rust. Dan kregen de kamers een grote beurt en kwam Siero de boel opschilderen. Mijn vrije tijd schoot er heel vaak bij in.

Het leven hier verschilde met dat wat ik in Vilsteren gekend had als de dag van de nacht. In het begin kon ik er goed tegen, maar in het tweede jaar raakte mijn spijsvertering volkomen van streek. Met rust bij mijn ouders en vele beetjes karnemelk kwam de inwendige Anna weer in haar gewone doen. De dokter dreef wel eens de spot met me: "Jij bent veel te fijn gebouwd voor het zware werk in een hotel; je hoort thuis bij deftige lui!" Toen ik weer aan het werk ging kwam er een hulp bij. Vanaf toen was ik goed tegen de drukte opgewassen. Ik ben met plezier tot aan mijn trouwen in 1930 in De Zon gebleven.

De Ster uit het Oosten

Zoals bekend had de beweging van de Ster uit het Oosten in de jaren twintig haar domicilie op het landgoed Eerde. Ook hotel De Zon pikte een graantje van de toeloop van belangstellenden mee. Als er in Ommen een bijeenkomst was, sliep steevast een aantal gasten bij ons. Eten deden ze in Het Sterkamp bij kasteel Eerde. Elke dag werden ze met auto's gehaald en gebracht.

Zelf heb ik Krishnamurti en Annie Besant meerdere keren gezien. Hij was de man uit India, aan wie de beweging haar inspiratie ontleende; zij de vrouw die velen in Europa vooral onder de rijken - voor zijn gedachtengoed wist te winnen. Af en toe kwamen zij hun geestverwanten in hotel De Zon opzoeken. Ik zie hen nog voor me: Krishnamurti, een man van een tamelijk gering postuur en met lang zwart haar met een scheiding in het midden; mevrouw Besant, een kleine gezette oudere dame met kort grijs haar. Als de bezoekers 's avonds van Het Sterkamp in het hotel kwamen, gaven zij elkaar en ons in alle toonaarden te kennen hoe gelukkig ze waren. De omhelzingen waren dan ook niet van de lucht. Ik heb wel eens bij mezelf gedacht: Och foi wat een spullegien! Het staat me overigens nog voor de geest, dat van kerkelijke zijde in Ommen tegen de beweging werd gewaarschuwd.

Mijn huwelijk

In augustus 1930 zijn Gerrit Bijvang en ik getrouwd. De huwelijkssluiting gebeurde op de toen gebruikelijke manier. Zonder enige plichtpleging werd het burgerlijk huwelijk in Ommen voltrokken. Na afloop gingen mijn man en ik een kopje koffie drinken in het café van Steen. Hierna keerde ieder van ons terug naar z'n ouderlijk huis, om de komende zondag in de rooms-katholieke kerk van Ommen de inzegening te vieren. Voor ons was dit de eigenlijke trouwdag. Wij gingen met onze familie en gasten met een gehuurde bus van Salland naar de kerk. Na afloop hadden we een eenvoudige bruiloft op de deel van mijn ouderlijke boerderij.

We konden het huis naast dat van Gerrits ouders krijgen. Hij had inmiddels het timmerbedrijf van z'n vader overgenomen. Zo kwam ik dan in Dalfsen waarvan ik, toen ik met Grada op de fiets op weg was om huize Ankum schoon te maken, gezegd had dat ik het zo’n gat vond.

Het goede viel ons in onze eerste huwelijksjaren ruimschoots ten deel: wij kregen vier kinderen; Gerrit had ook in de moeilijke jaren dertig voldoende werk, en hij ontwikkelde zich tot een gewaardeerd bouwkundig tekenaar. Maar in één klap werd alles anders. Het gebeurde kort voor de Duitse inval. Gerrit was die dag aan het werk in de kap van het jagershuis op het landgoed Vilsteren. Onverwachts gleed hij uit en viel in de diepte. Hij sloeg met zijn hoofd ergens tegenaan en raakte buiten kennis. Met de ziekenauto werd hij thuisgebracht, waar hij na verloop van tijd het bewustzijn terugkreeg. Wij gingen later met hem naar het ziekenhuis in Zwolle, waar bleek dat hij een hersenbeschadiging had opgelopen. Nadien is hij nooit weer de oude geworden. Gelukkig hadden we een goede knecht, Johan Maats, die het bedrijf gaande hield. Als Gerrit in goede doen was kon hij nog heel aardig meehelpen. Mijn man is niet oud geworden: op 66-jarige leeftijd overleed hij. Ik heb me er met de kinderen goed doorheen kunnen slaan en ondanks het ongeluk dat ons bestaan zo ingrijpend veranderde, kan ik terugzien op een rijk en gelukkig leven.

Dit artikel, van Mini Buit en Freek Pereboom, is eerder verschenen in het tijdschrift IJsselakademie nr. 1, maart 1996.

Reacties