Geplaatst door: 
Verhaal

Vooroorlogse herinneringen van een dienstbode uit Zwollerkerspel (deel 1)

Auteur: 
Mini Buit en Freek Peereboom

Johanna Antonia Maria (Anna) werd op 20 december 1903 in Zwollerkerspel geboren, als dochter van Gerardus Johannes Schuurman en Theodora Logtenberg. Zij was het derde kind van de acht die het gezin zou tellen.

Jeugd

Familie en ouderlijke boerderij

Mijn ouderlijke boerderij maakte deel uit van het landgoed De Kranenburg, ten noorden van Zwolle. Zij stond tegenover de ingang van de oprijlaan naar het vroegere koetshuis. Nu is hier de begraafplaats, die in haar naam de herinnering aan de voormalige havezate levendig houdt. Waar de boerderij stond bevindt zich thans de aula. Het landgoed was eigendom van de familie Vos de Wael, die zelf in de Koestraat in Zwolle woonde.

De Kranenburg was prachtig: de gracht was er nog; bij het koetshuis lagen een bloemen-, groente- en vruchtentuin, een orangerie waarin onder meer druiven werden gekweekt, en er hoorde een flink stuk bos bij. Het toezicht op en het beheer van de tuinen werd door een tuinman uitgeoefend, die binnen de grachten woonde. Hij heette Klumper.

 

 

De familie Vos de Wael was rooms-katholiek en - zo was dat toen - geloofsgenoten kregen de voorkeur bij het verpachten van de boerderijen.

Vader werkte in zijn jonge jaren bij boer Horstman, een van de pachters op De Kranenburg. Op de boerderij tegenover de oprijlaan woonde in die tijd een boer wiens zoon het stropen niet kon laten. Dat kon Vos de Wael niet gedogen en na herhaalde waarschuwingen moest het gezin het bedrijf verlaten. En zo kwamen vader en moeder als rooms-katholieke pachters op deze boerderij terecht.

Het was een gemengd bedrijf. Ons land was voor het grootste deel bestemd voor de verbouw van rogge en groente, maar we hadden daarnaast zo'n stuk of acht koeien in de wei lopen. En natuurlijk hoorden ook varkens, geiten en kippen tot onze veestapel. De geiten mochten de bermen van de oprijlaan afgrazen.

Het was een mooie boerderij. In de voorkamer, de heerd, was een grote betegelde schouw. Hierin kon een zogenaamde kolomkachel worden geplaatst. Deze had een grote nikkelen kop. De vloer was van rood Portlander cement, met daarop een biezen mat. Op de tafel lag een gebloemd zeiltje; erboven hing een ouderwetse met krullen versierde olielamp. We hadden mooi bewerkte stoelen met zittingen van biezen. Verder stonden er twee eikenhouten kasten, waarvan de éne heel groot was. Er waren hier ook twee bedsteden, waarin vader en moeder en de jongste kinderen sliepen. Verder hadden we natuurlijk een woonkeuken. Hier stond een ijzeren fornuis, waarin meestal hout gestookt werd. Achter op de deel was de pomp die lekker water gaf. Dan was er nog een kamertje waar moeder de boter karnde.

 

 

In de zomer woonden we in het bakhuis. Dit stond een eindje van onze boerderij af. Het was betegeld met rode en blauwe tegels. De ruimte werd gevuld door een grote ronde eettafel. Moeder kookte hier op een open vuur.

Ons geloof

Wij waren, zoals ik al zei, rooms-katholiek en lid van de Sint Michaëlsparochie in Zwolle. De kerkelijke plichten werden thuis nauwgezet in acht genomen.

In het dagelijks leven speelde het onderscheid in geloof geen rol. De rooms-katholieke en protestantse boeren leefden in pais en vree met elkaar. Toch bestond er over en weer grote onbekendheid met elkaars godsdienstige opvattingen en uitingen. Ik herinner me daar een aardig voorbeeld van. De kinderen uit onze buurt mochten de veel kortere weg over De Kranenburg nemen om naar de christelijke school van Bergklooster te gaan. Op een dag begon het zwaar te onweren, juist toen de scholieren bij ons langskwamen. Moeder riep ze binnen en liet ze in de voorkamer. Ineens vroeg één van de jongens: 'Och mevrouw, wat bin dat veur kerelties daar op de kaste?' Moeder kon er wel om lachen en legde hem uit, dat het beeltenissen van Jezus, Jozef en Maria waren.

 

 

Maar ook heugt mij dit nog. Kort na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog waren er Belgische vluchtelingen in de school van Bergklooster ondergebracht. Op een dag kwam meester De Ruiter bij ons en vroeg moeder met hem mee te gaan naar een zieke vrouw die stervende was. Hij wilde graag dat de rituelen voor deze rooms-katholieke dame op de juiste wijze werden uitgevoerd. Meester De Ruiter was zelf hervormd.

Die beelden stonden overigens op de kast en schoorsteenmantel in de voorkamer; enkele onder een glazen stolp. Naast de schoorsteenmantel hing een portret van paus Pius X. Verder waren in deze kamer platen van het Laatste Oordeel en van het vagevuur te zien. Laatstgenoemde prent hing boven de deur naar de deel. Een afbeelding van Antonius van Padua tooide tenslotte het muurtje boven de deur naar het zijkamertje.

We gingen elke zondag naar de kerk. Vader bezocht met de oudste kinderen geregeld de vroege mis in de kerk van het Dominicanenklooster aan de Assendorperstraat, terwijl moeder met de kleintjes naar onze parochiekerk in de Roggestraat ging. Hier begon de mis om tien uur. Zodra we zeven jaar waren geworden moesten we mee.

Het doen van de Heilige Communie was ook in mijn jeugd al een feestelijke gebeurtenis, waarvoor je mooie kleren aan kreeg. Je moest dan nuchter naar de kerk, en dat terwijl het voor ons een uur lopen was!

In de wintermaanden bezochten we vaak het lof, om de meditatie te horen.

 

 

De school

Ik zat op de school van het klooster aan het Gasthuisplein in Zwolle. Zij werd geleid door de Zusters van Liefde uit Tilburg. Het klooster bevatte ook een tehuis voor ouden van dagen en een weeshuis. Dat de zusters in Zwolle waren gekomen, was mede te danken geweest aan de bemoeienis van de landgoedeigenaar Vos de Wael. Van huis naar school was ongeveer een uur gaans. We liepen altijd op klompen.

Vanwege de grote afstand was er geen tijd om onderweg een spelletje te doen. Als het heel erg glad was mochten we thuisblijven. Ons gezin was het enige in de buurt waarvan de kinderen niet naar de Openbare School in Berkum, of de christelijke in Bergklooster gingen, zodat we op onszelf waren aangewezen. In de stad moesten we langs een Openbare School en dan gebeurde het wel, dat ze ons voor boeren uitmaakten of ons op het volgende rijmpje onthaalden: 'Roomse Papen zijn niet geschapen door God, maar door de duivel in het varkenskot!'

Als we de moed hadden riepen wij dan terug: 'Lelijke Zwolsen!'

Op onze weg door de stad zagen we veel stakkers rondhangen: invaliden en zwakbegaafden. Niemand bekommerde zich om hen en zo kon het voorkomen, dat ook zij pesterijen gingen uithalen als we langskwamen. Toen zo'n groepje ons eens met vuilnis bekogelde werd ik zo heilig, dat ik met m’n broodtrommeltje op hen insloeg.

Op weg naar huis begon het eens heel hard te onweren. Net toen we bij de brug over de Aa waren sloeg de bliksem in het water. Een ogenblik leek het wel of de Aa in brand stond. We gingen snel onder een boom schuilen, maar de bewoner van het huis aan de overkant van het water riep ons meteen binnen. Hij vertelde ons dat het gevaarlijk was om bij onweer onder een boom te gaan staan.

We bleven over in een schoollokaal, onder toezicht van een zuster. In de middagpauze kregen we melk te drinken. Als het mooi weer was mochten we na het eten op de speelplaats spelen; wanneer het regende of vroor, werden we aan het breien van wanten gezet. Verplicht was dat overigens niet. Aan de lessen heb ik niet veel herinneringen. Ik kon aardig meekomen, behalve met hoofdrekenen; dat lag me niet. In elk lokaal hing een kruisbeeld.

Ik bewaar goede herinneringen aan de zusters. Zij lazen af en toe voor. Zo herinner ik me nog de verhalen over Jeanne d'Arc, Sint Dominicus en Sint Franciscus. Maar het staat me ook nog goed voor de geest dat de zuster bij wie ik in de vijfde klas zat mij niet erg mocht. Op een dag was ze boos op me en al mopperend kwam ze achter haar tafel vandaan. Haar sluier bleef haken en ik schoot in de lach. Je kunt begrijpen dat toen de boot helemaal aan was.

Uit de tijd dat ik op school zat, bewaar ik nog enkele herinneringen die aardig zijn om te vertellen.

 

 

Vader en zijn pachtheer

Zoals gezegd woonden wij op een boerderij van de familie Vos de Wael. Twee keer in het jaar moest de pacht worden voldaan; in baar geld. Vos de Wael was firmant in het bankiershuis Van Esch. Hij hield kantoor in het pand Melkmarkt 44. In het najaar - ik zat nog op school- gebeurde het eens dat vader de pacht niet kon betalen. Hij ging naar mijnheer toe om te vragen of hij uitstel van betaling kon krijgen. Maar deze wilde daar niet van weten. Toen besloot vader dan maar een pink (een eenjarig kalf) te verkopen. Nu betrok hij zijn veevoer altijd van de maalderij van Hendrik Bartels, aan de Diezerpoortenplas. Op de dag waarop hij de koe naar de veemarkt bracht, liep hij meteen even bij Bartels langs om een bestelling te doen. Zodra de baas hem zag vroeg hij aan vader wat hij met dat beest moest.

Deze vertelde wat er aan de hand was. "Och man, dat geld kun je wel van mij lenen", zo bood Bartels gul aan. "En die koe", liet hij er op volgen, "moet je in elk geval niet van de hand doen. Daar krijg je op dit ogenblik zowat niks voor. Verkoop hem maar als de tijd beter is; en met dat geld van mij komt het wel goed". Zo gebeurde het. Moeder en wij keken verbaasd op toen wij vader met de pink terug zagen komen, en nog verbaasder toen we hoorden dat hij tóch de pacht betaald had.

Het was november of december. Buiten was het bitter koud en er lag sneeuw. Vader was met opzichter Klumper en nog enkele mannen uit de buurt bomen aan het kappen op De Kranenburg. Op een zeker ogenblik vroeg moeder mij om koffie naar de houtkappers te brengen. Ze waren blij toen ik met de warme dronk kwam en gingen op een boomstam zitten om even uit te rusten. Uitgerekend op dat ogenblik kwam mijnheer Vos de Wael aanzetten. Klumper wilde meteen in de benen en weer aan het werk gaan. Maar de anderen bleven zitten. Vos de Waels begroeting was niet bepaald vriendelijk. Ik hoor het hem nog zeggen: "Ja ja; dat zit hier maar koffie te drinken en verdient nog een dubbeltje in het uur toe!" De mannen gaven hem een waardig antwoord: een alleszeggend zwijgen.

 

 

Een geheimzinnige ontmoeting

In de tijd van de Eerste Wereldoorlog maakten we iets opvallends mee. Het was aan het eind van de zomer of het begin van de herfst; in elk geval aten we nog in het bakhuis. Toen moeder op een avond net in bed lag, kwam ze tot de ontdekking dat ze vergeten was de wekker mee naar binnen te nemen. "Wacht maar", zei m'n oudste zuster, "ik ben toch nog niet klaar; ik haal hem wel even". Zo gezegd, zo gedaan. Blijkbaar had ze het slot van de deur van het bakhuis bij het weggaan niet goed aangedrukt, althans de volgende ochtend zagen we dat onverlaten alle etenswaren hadden meegenomen. Vol verbazing vroegen we ons af wie dit gedaan kon hebben en waarom. Het erge was, dat er voor mij geen boterhammen waren om mee naar school te nemen. Moeder zei dat ik maar naar bakker Satink moest gaan om brood te kopen.

Toen ik 's middags op weg naar huis was kwam ik vader met twee onbekende mannen tegen. Hij beduidde me, dat hij mij na thuiskomst wel zou vertellen wie zij waren. Het volgende was gebeurd. Een man die bij ons in de buurt woonde was in de bossen van De Kranenburg aan het stropen. Op zeker ogenblik zag hij laarzen in de struiken hangen, wat bij hem het vermoeden wekte dat zich in de omgeving mensen verdekt ophielden. Vlug ging hij naar vader en opzichter Klumper om hen te vragen mee te gaan zoeken. En jawel, ze stuitten op een groepje mannen, dat onmiddellijk de benen nam, al schreeuwend: 'Nicht kaput! Nicht kaput!' Vader en zijn maats begrepen onmiddellijk dat het uit Duitsland gevluchte krijgsgevangenen moesten zijn. Op hun beurt riepen zij: "Holland, Holland!" Twee mannen kwamen terug en gingen mee naar het huis van Klumper. Hier kregen ze eten en drinken. De Zwollenaren spraken geen vreemde talen, maar uit de gebaren konden ze opmaken dat het om Russen ging. Zij waren inderdaad uit een krijgsgevangenenkamp ontsnapt en ze waren erin geslaagd uit handen van de autoriteiten te blijven door langs ongebaande wegen naar het westen te trekken. Om hun duidelijk te maken in welk land ze waren, liet iemand een rijksdaalder zien met de kop van koningin Wilhelmina. Maar helaas, onze majesteit kenden ze niet.

Vervolgens begeleidde vader hen naar het politiebureau in Zwolle. Daar werden ze in contact gebracht met een mevrouw die Russisch sprak, zodat een uitwisseling van vragen en antwoorden kon plaatsvinden.

Een dag later werden ook de anderen gevonden; in de buurt van het Haersterveer. Zij hadden 's nachts in een weiland een koe gemolken en tegen de ochtend de melk in een bakje op een vuurtje aan de kook gebracht. De rook was opgemerkt, en zodoende konden ook zij naar de politie worden gebracht.

 

 

Het Staphorster boertje

Moeder was nogal eens ziek, zodat we vaak een arts over de vloer hadden. Wij waren bij dokter Vitringa, die net als zijn bekende collega Klinkert zijn patiënten op de motorfiets bezocht. Op een keer had moeder belroos. Juist in die dagen was een groepje Staphorsters bezig met het kappen van bomen op De Kranenburg. Die mannen kwamen bij ons koffie drinken en hun middagboterham eten. Eén van hen vroeg op een keer: "Wat scheelt u toch, Vrouw Schuurman?" Moeder vertelde dat ze zo met die belroos aan het sukkelen was. "Nu", zei de man, "dan zal ik Stegeman eens vragen of hij er wat tegen weet!" Deze natuurgenezer stond alom bekend als het Staphorster boertje. En zowaar, kort daarop kwam hijzelf met de houtkappers

mee. Ik zie hem nog zo voor me: een kleine man met een petje op. Hij schreef moeder een kruidenmengsel voor, dat bij apotheker Ten Doesschate in de Diezerstraat gehaald kon worden. Ze nam het in, en knapte er waarachtig van op! Maar nu het mooiste. Enkele dagen later kwam dokter Vitringa langs om te zien hoe zijn patiënte het maakte. Moeder biechtte hem eerlijk op, dat ze hulp van Stegeman had gekregen en dat ze geweldig was opgeknapt. De dokter ging weg. Maar toen hij de voordeur uit wilde stappen, kwam juist Stegeman binnen. Vitringa sprak hem meteen aan: "Nu wil ik je toch eens vragen, Stegeman, wat heb jij die vrouw gegeven?" "Ja dokter", antwoordde deze, "dat is voor u een vraag en voor mij een weet!"

 

 

De vondst van een oude put

Tussen ons huis en de hooiberg lag een grote steen, waaronder wij een oude put vermoedden. Op een dag wisten we vader zover te krijgen dat hij de steen uitgroef. De buurman hielp mee. Wie schetst onze verbazing, toen er geen put maar een onderaardse gang tevoorschijn kwam. Wij kinderen vonden het spannend en griezelig tegelijk, want zo dichtbij de hooiberg konden er wel ratten hun toevlucht in hebben gezocht! Die gang was zo diep dat vader en buurman een ladder nodig hadden om beneden te komen. In de wanden zaten blauwe en rode tegels. Het verhaal ging dat het een vluchtgang was, die van het Agnietenklooster op de Nemelerberg (later naar het klooster Agnietenberg genoemd) naar de Michaëlskerk in Zwolle liep. Thomas à Kempis zelf zou hier gelopen hebben. Later heeft men mij verteld dat deze gang deel uitmaakte van een heel stelsel gangen, aangelegd om het overtollige water van het klooster af te voeren. Op de plek waar het gestaan heeft zijn inderdaad nog meer restanten van deze gangen gevonden. Omdat vader bang was dat de boel in zou storten, werd ons verboden naar beneden af te dalen.

De paters Dominicanen op De Kranenburg

De paters van het Dominicanenklooster uit Zwolle mochten de dinsdag- en donderdagmiddag met hun studenten op De Kranenburg doorbrengen. Zij hadden dan de beschikking over het koetshuis. De bezoekers kwamen nooit in groepsverband aan, maar telkens twee aan twee. De paters droegen een wit habijt en een ronde zwarte hoed. De studenten konden zich ontspannen met wandelen, voetballen of gewoon luieren. Weer anderen gingen op een rustig plekje zitten lezen. Water voor de thee en melk werden bij ons gehaald en zodoende leerden we hen een beetje kennen. Maar er werd ook wel eens bier gedronken. Ik weet nog, dat het brood dat ze aten door de paters zelf werd gebakken. Tegen zes uur vertrokken ze weer naar de stad.

 

 

Helpen op het bedrijf en in de huishouding

Moeder was een goede boerin en ze verzette veel werk op de boerderij. Ze verzorgde het vee en maakte boter. Wij kinderen moesten al vroeg helpen, maar ik had een hekel aan het boerenwerk.

Op een keer was vader ziek en toen moest een buurman komen om bij te springen. Vader vond dat maar niks en zodra hij beter was moest ik leren melken. Het werd een martelgang voor me. Ik kon gewoonweg niet wennen aan die stomme koeien met hun alsmaar zwiepende staarten! Om de haverklap werd je hoofd geraakt. Trouwens, m'n handen stonden ook verkeerd voor het hooien; en een goede roggebindster was ik evenmin. Die halmen prikten zo! Dorsen met de dorsstok vond ik wel leuk. Gelukkig hield m'n oudere zuster wel van het  boerenwerk en ze stelde voor om te ruilen. Zij zou voor mij melken als ik het wekelijkse schuren van de klompen voor m'n rekening nam. Want ook in de huishouding moesten we bijspringen: schoonmaken, klompen schuren, en het doen van naai- en stopwerk. Op zaterdagavond dienden het straatje voor het huis bestaande uit gele tegeltjes - te worden geschrobd, de ramen gelapt, het tuintje aangeharkt en het erf opgeruimd. Zand strooien op het straatje was in onze buurschap niet de gewoonte.

Later op de avond gingen we in de voorkamer in de tobbe. We vonden het leuk om met onze natte voeten op de vloer te stampen.

Wanneer bij een van de buren een kind geboren was, stuurde moeder me erheen om een handje toe te steken. Ook heb ik eens geholpen bij het luiden van de klok op het kerkhof Bergklooster. Nou ja, geholpen! De vrouw van de beheerder van het kerkhof was ziek en ik zou het wel even van haar overnemen. Haar man deed voor hoe ik het moest doen, en toen was het mijn beurt. Maar ik deed het zo wild dat de touwen volkomen in de knoop raakten.

 

 

In betrekking bij de familie Vos de Wael

Het werk

Nadat ik de lagere school had verlaten, ging ik thuis in de huishouding helpen. Dat heb ik een jaar of vijf gedaan. Op een dag in de nazomer van 1921 kwam mevrouw Vos de Wael, echtgenote van onze verpachter, bij moeder. Zij vertelde dat haar dienstbode in het klooster zou treden. Vervolgens gaf ze te kennen dat zij mij graag als meisje wilde hebben. Ik was toen negentien jaar. Op 24 september 1921 trad ik in dienst. Het gezin woonde op het adres Koestraat 36. Er werkten vier dienstmeisjes: twee binnenmeisjes, een keukenmeid en een kinderjuffrouw.

Ik werd aangenomen voor het werk in de huishouding. Wij waren intern. M'n kleding bestond uit een bonte jurk met een wit schort, en een zwarte japon. We stonden iets voor zeven uur op. Mijn eerste werkje was mij te melden aan de slaapkamerdeur en mevrouw aan te zeggen dat het zeven uur was. Vervolgens gingen we beneden de kachels aanleggen en de tafel dekken.

Het echtpaar Ludovicus Joannes Vos de Wael en Maria Margaretha van Sonsbeek had tien kinderen. Zodra de familie aan het ontbijt zat, konden wij in de keuken onze ochtendboterham gaan eten.

Na de ochtendmaaltijd beredderden we eerst beneden de boel. Daarna ging ik naar boven om de bedden op te maken en de slaapkamers te doen. Wij waren hier de hele morgen wel mee kwijt; het was een groot huis.

Met het doen van de boodschappen hadden wij geen bemoeienis. De keukenmeid - Grada Brummelenbos, met wie ik jarenlang zou samenwerken – haalde vaak vis op de markt; de overige boodschappen werden over de telefoon door mevrouw besteld.

Ze werden vervolgens aan huis bezorgd. De groente- en fruitvoorraad voor de winter kwam van de boerderijen en tuinen van huize Ankum en De Kranenburg.

Overal in huis lagen smyrna-kleden. Deze moesten op een rek worden gehangen, om uitgeklopt te worden. Dit karwei gebeurde onder leiding van de keukenmeid.

Om half een was het lunchtijd. De middagen werden beurtelings besteed aan het poetsen van het zilver en koper, en aan het strijken van wasgoed. De was ging overigens grotendeels naar de wasserij. Uiteraard hoorde ook het dekken voor de avondmaaltijd tot ons werk. En net als met het ontbijt en de middagboterham aten wij dienstmeisjes 's avonds in de keuken. Maar laat ik er meteen bijzeggen dat we niets tekortkwamen: wat de familie at kregen ook wij voorgezet. En als er een van de gezinsleden jarig was, werd ons evengoed een gebakje aangeboden en zelfs wel eens een glaasje wijn. Wanneer er 's middags bezoek kwam moest ik de zwarte japon met kraagje en witte manchetten aan - en uiteraard een schort voor -, terwijl ik ook een mutsje droeg.

Na het avondeten zaten wij - behalve de kinderjuffrouw - bij elkaar in de keuken. Meestal waren we bezig met handwerken. We konden goed met elkaar opschieten.

De slaapkamertjes van de dienstboden waren op de bovenste verdieping. Ik deelde de kamer met het andere binnenmeisje.

 

 

Toen de dagen nog goed waren

De familie Vos de Wael was erg gezien. Zij behoorde tot de zeer gegoede patriciërs van Zwolle. Mevrouw was - ik zei het al - een Van Sonsbeek en afkomstig van De Gunne onder Heino. Zij was zich van haar stand bewust en had een zekere trots. Maar in de omgang was zij zeer vriendelijk. Ook mijnheer was een minzaam mens, al konden zijn stemmingen nogal wisselen.

Mijn werkgeefster deed veel aan liefdadigheid. Zo brailleerde zij voor de blindenbibliotheek Le Sage ten Broek in Grave. Vaak zat ze aan de tafel in de huiskamer met behulp van een lei en pen te prikken. Elke letter moest afzonderlijk en puntje voor puntje in het papier op de lei worden geprikt.

De kleren die de kinderen niet meer droegen maar deze waren dan nog altijd heel mooi – gingen naar de Sint Vincentiusvereniging. Deze organisatie hield zich bezig met de ondersteuning van arme rooms-katholieke geloofsgenoten.

De oudste dochters waren enkele jaren ouder dan wij. Maar ons werd duidelijk te verstaan gegeven, dat we als dienstmeisjes niet geacht werden iets van deze kleding over te nemen, laat staan te dragen. Trouwens, hoe goed de verhouding tussen de familie en het dienstpersoneel ook was, er bestond een scherpe scheidslijn: aan de ene kant onze plek, aan de andere die van de familie. Gaf je blijk je plaats en de uitgesproken en ongezegde regels te kennen, dan ondervond je waardering. Wij mochten ons dialect praten, maar tegen de leden van het gezin moesten we algemeen Nederlands spreken.

Een van de dochters onderging in het ziekenhuis De Weezenlanden eens een ooroperatie. Wij mochten wel vragen hoe het met de patiënte ging, maar op ziekenbezoek gaan zou een overtreding hebben betekend van de ongeschreven regel dat een dienstmeisje niet te familiair mocht worden.

 

 

Tot de onuitgesproken voorschriften hoorde ook dat wij ons niet hadden te bemoeien met de kibbelarijtjes tussen de kinderen; dit was de taak van de kinderjuffrouw. Dat een dienstbode zich ook niet mocht verstouten de kinderen terecht te wijzen voor hun slordigheid, werd mij eens op niet mis te verstane wijze duidelijk gemaakt. Op een dag had ik een briefje bij de wasbak in de slaapkamer van de oudste dochters gehangen, met het verzoek er zorg voor te dragen dat bij het kammen geen haar in het afvoergootje terecht zou komen. De meiden hadden dit aan hun moeder doorgegeven, die mij prompt op haar matje riep. Als ik wat te klagen had moest ik dat bij haar doen.

Mevrouw zag er nauwlettend op toe dat wij geen hanetree naast het pad van deugdzaamheid zouden zetten. We werden geacht zelfs de meest onschuldige omgang met het manvolk te mijden. Als mijn broer die, bij de marechaussee was, bijvoorbeeld langskwam om me iets van huis te brengen of gewoon om even een praatje te maken, mocht ik hem niet in de keuken ontvangen maar in de vestibule. En dat nog wel terwijl Grada een oogje op hem had! Ik weet nog dat wij een keer aan de voorkant ramen aan het lappen waren. We hadden daarvoor een spuit, waaruit water kwam dat moest worden opgepompt. Aan de overkant was een grote pianohandel gevestigd. Terwijl wij bezig waren, wuifden de jongens die daar werkten naar ons. Ik kende ze wel en lachte hen eens vriendelijk toe. Dat zag mevrouw, waarop we meteen binnen werden geroepen. Mijn gedrag was ordinair - ja, dat woord gebruikte ze - en niet passend voor een net meisje.

Een andere keer had ik dokter Van Dijk bezocht om mijn handen tegen een hardnekkige eczeem te laten behandelen. Juist toen ik de voordeur van m'n werkhuis binnen wilde stappen, kwam Mans Jansen langs. Deze man woonde bij mijn ouders in de buurt en werkte bij een boer aan de rand van de stad. Mans had gezien dat ik bij de dokter vandaan kwam en vroeg me: Och Anna, heb ie ongemak? Mevrouw had zijn woorden opgevangen en sprak me wat korzelig toe: "Zo'n onfatsoenlijke boer; hij denkt zeker dat je ongedierte bij je draagt!" Maar in ons dialect betekende dit woord ziekte of kwaal en daar zat hij dus niet mis mee. De huid van mijn vingers zat vol kloven en het jeukte verschrikkelijk. De medicijnen die de arts voorschreef hielpen helaas niet. Van mevrouw mocht ik naar huis, totdat de kwaal over zou zijn. Moeder wist raad: "Je moest maar eens naar het Staphorster boertje gaan; hij houdt zitting boven de winkel van Halfweg in de Luttekestraat". Deze winkel was een galanteriezaak. Ik ging erheen. Stegeman keek naar m'n handen en vroeg wat ik gedaan had om het ongemak kwijt te raken. Hij gaf me vervolgens een flesje met een smeersel. Voordat ik daarmee m'n handen inwreef moest ik flink eten, en na het opbrengen van het spul buiten gaan lopen, zo luidde zijn advies. Toen ik hem vroeg hoeveel de visite kostte, zei hij: “Dat kost oe niks; maar dat flessien is een rijksdaalder!”

Ik deed zoals hij gezegd had. Nauwelijks had ik m'n vingers ingewreven of het begon te steken van jewelste. De tranen liepen over m'n wangen, zo erg was het. En ik wilde maar al te graag rondjes om het huis heenlopen. Elke volgende behandeling gaf gelukkig minder hinder. Na een dag of vier waren mijn handen genezen. Ik ben zo verstandig geweest mevrouw niet te vertellen wie mij ervan afgeholpen had, want ik wist wel dat ze niets van kwakzalvers moest hebben.

's Zondags ging de familie naar de Onze Lievevrouwenkerk, De Peperbus. Hoewel ik liever de mis in de Michaëlskerk bezocht - immers mijn ouders kwamen daar -, werd van de dienstboden verwacht dat zij zich bij het gezin Vos de Wael voegden. De familie had er een eigen bank, voorin in het middengedeelte. Wij moesten ook in die bank plaatsnemen; in de hoek. Het zou voor de hand hebben gelegen dat wij als eersten gingen zitten, maar dat was onbeleefd. En dus moest iedereen voor ons opstaan om ons door te laten, wat ik altijd onprettig vond.

De ene week hadden wij een middag vrij, de andere een hele dag. 's Avonds moesten we terug zijn. 

 

 

Regelmatig gingen de Vos de Waelen een dagje naar De Kranenburg. Er werd dan bij stalhouderij Luttenberg een rijtuig gehuurd, waarvoor mooi opgetuigde paarden liepen. Het personeel bleef bij die gelegenheid thuis. Als het gezin in de zomer met vakantie ging, kregen ook wij vrijaf. Ons loon werd dan gewoon doorbetaald. Ik logeerde in die tijd bij mijn ouders. Vakantie had ik eigenlijk niet, want thuis was er altijd van alles te doen. Maar ik genoot intens en voelde me vrij. Ik was mij er dan pas goed van bewust dat ik, hoewel ik het in mijn betrekking best had, altijd onder een zekere druk leefde.

Het faillissement

Het bankiershuis van Mijnheer Vos de Wael stond goed bekend. Nadat medefirmant Van Esch zich had teruggetrokken, was één van de zonen van Vos de Wael in de zaak gekomen. Deze stak nogal wat geld in een vloerzijlfabriek, die na korte tijd over de kop ging. In haar val sleepte zij het bankiershuis van Vos de Wael mee. Op 10 oktober 1923 werd het faillissement uitgesproken.

Wij personeelsleden wisten niet meteen wat er aan de hand was, maar we merkten wel dat er spanning in huis heerste. Mijnheer was gejaagd en vaak weg. Mevrouw en de kinderen waren neerslachtig. Dat het mis was op de zaak bleef evenwel niet lang verborgen. Ik weet nog goed, dat er verscheidene mensen aan de deur kwamen - overwegend rooms-katholieke dienstboden en knechten die bij zijn bank gespaard hadden - om te vragen of mijnheer of mevrouw nog iets voor hen zou kunnen doen. De mensen waren verslagen, omdat ze het geld dat ze voor hun oude dag hadden gespaard kwijt waren. En mijnheer en mevrouw waren aangedaan, aangezien zij aan de ellendige toestand niets konden doen.

Op alles werd bezuinigd. Zo werden er geen nieuwe kleren meer gekocht, en ik moest wat versleten of kapot was herstellen. Heel naar was het om toe te moeten zien hoe de bezittingen van de familie de een na de ander verkocht werden. Het eerste dat van de hand werd gedaan was huize Ankum in Dalfsen. De boeren werden in de gelegenheid gesteld de boerderijen te kopen. Grada en ik gingen er op een dag heen om het huis schoon te maken; een droeve tocht, op de fiets van het station van Dalfsen naar het huis.

Toen volgde het landgoed Kranenburg. Als gevolg van de verkoop hiervan moesten mijn ouders omzien naar een andere boerderij. Dit lukte dankzij bemiddeling van de familie Vos de Wael. Een zuster van meneer was getrouwd met Gellius Cremers, eigenaar van huize Vilsteren. Deze bezat een oud boerderijtje bij Varsen. Dit werd opgeknapt en het werd door mijn ouders betrokken.

Het kwam ook zover dat alle kostbaarheden die het eigendom van mijnheer waren, op een veiling werden verkocht. Gelukkig was het echtpaar niet in gemeenschap van goederen getrouwd, zodat niet alle huisraad de deur uit hoefde. Maar het was zo al ellendig genoeg. Tenslotte werd het huis verkocht. Het gezin vertrok eind januari 1924 naar Nijmegen en ging daar op een bovenwoning wonen.

 

 

Een grote zorg was vooral het onder dak brengen van de grote kinderschaar. De kinderen woonden allemaal nog thuis. De oudste dochter was, als ik het wel heb, 27 jaar. Voor haar kon een baan in de kinderzorg worden gevonden. Een andere dochter trad in het klooster, evenals een zoon. Een aantal kinderen zat nog op school of volgde lessen. Hoewel het er beroerd voor de familie voorstond, verloren mijnheer en mevrouw geen ogenblik het belang van het personeel uit het oog. Het eerste binnenmeisje was inmiddels in het klooster gegaan. De kinderjuffrouw - zij had de zorg voor haar vader en invalide broer - mocht voor kraamverzorgster leren.

Mevrouw zorgde er ook voor dat de keukenmeid en ik een andere betrekking kregen. In de tijd dat surseance van betaling was verleend, kregen wij aanvankelijk geen loon uitbetaald. Maar dat kwam later toch in orde. Ik heb bij de familie Vos de Wael een prettige tijd gehad, en dat maakte het afscheid van deze mensen die ik hoogachtte ook zo zwaar.

Dienstmaagd op huize Vilsteren

De gang naar Vilsteren

Zoals gezegd, kregen Grada de keukenmeid en ik door bemiddeling van de familie Vos de Wael een andere betrekking. Een zuster van mijnheer was getrouwd met Gellius Cremers, eigenaar van landgoed en huize Vilsteren. Vlak voordat de Vos de Waelen naar Nijmegen gingen kwam mevrouw Cremers langs. Zij had van haar schoonzuster gehoord dat Grada en ik niet mee wilden naar de keizerstad. Dit was ons namelijk gevraagd. Mevrouw Cremers vroeg ons bij haar te komen werken. Grada ging daar onmiddellijk op in, maar ik nam bedenktijd. Dat kon ook, omdat ik na het vertrek van de familie nog moest helpen bij het schoonmaken van het koetshuis op De Kranenburg. Ik liet me intussen bepraten om toch maar naar Vilsteren te gaan.

 

 

Ik zou eind januari 1924 in dienst treden. Mevrouw liet me weten, dat ik met de auto zou worden opgehaald. Nu geviel het dat de chauffeur van de familie Cremers een broer van moeder was, oom Johan. Ik had de auto al vaker gezien, want als oom Johan het echtpaar Cremers naar de familie Vos de Wael bracht werd het prachtige voertuig zolang op De Kranenburg gestald; in de stad zou het eens beschadigd kunnen worden door al te opdringerige toeschouwers! Natuurlijk mochten wij er dan wel eens even inzitten, maar een ritje met oom Johan maken was er toch niet bij.

De dag waarop ik naar Vilsteren vertrok was de eerste keer dat ik in een auto reed. Ik vond het een hele sensatie: de bomen vlogen langs ons heen; heel wat sneller dan de kleedwagen met een paard ervoor die ik gewend was.

Bij het zien van het landhuis raakte ik onder de indruk. Het was mooi gelegen. Maar tegelijk overviel me een gevoel van beklemming: wat een dooie boel! Moet ik hier nu werkelijk wonen? Per slot van rekening was ik de levendigheid van de stad gewend. Zodra ze me zag kwam Grada blij op me toelopen; maar ik moest meteen huilen. “Het valt best mee hier", zo probeerde ze me wat op te beuren.

Het echtpaar Cremers

Mijnheer en mevrouw Cremers waren al op leeftijd toen wij bij hen in dienst kwamen. Gellius Franciscus Maria Pathuis Cremers was op 3 juni 1855 geboren. Hij was rechter bij de arrondissementsrechtbank in Breda geweest. Zijn vrouw Hermance Maria Vos de Wael zag op 13 november 1859 het levenslicht. Mijn werkgever was een redelijk en vriendelijk mens, maar mevrouw had bij tijd en wijle haar nukken. Dat was misschien wel de reden waarom de sfeer in huis en de verhouding tussen de werkgevers en het dienstpersoneel zo verschilden met die in huize Vos de Wael. Zo kwam mevrouw steevast in de keuken om zelf ons rantsoen boterhammen en middageten af te passen, en dit was altijd aan de zuinige kant. Grada durfde niet goed voor zichzelf op te komen, zodat we het meermalen moesten doen met kliekjes van de vorige dag en een te kleine portie. Maar bij andere gelegenheden was mevrouw de gulheid zelf. Zo hadden mijn ouders het aan haar te danken, dat zij na verloop van tijd het boerderijtje in Varsen van Cremers konden kopen. De pastoor van Ommen ging voor vader een goed woordje bij het echtpaar Cremers doen. Hij liet hun weten, dat hij ons grote gezin graag in de parochie wilde houden. Op een gegeven ogenblik zei mevrouw tegen haar man: "Verkoop het maar; die mensen zijn altijd goed voor mijn broer geweest". En vader kreeg het boerderijtje ook nog tegen een schappelijke prijs.

Zij mocht graag onze gesprekken afluisteren. Als Grada en ik in bed lagen te praten – we deelden op de tweede verdieping een kamer waarin we elk een bed en kast hadden – kwam ze soms behoedzaam de trap op met de vraag en order: "Wat hebben jullie toch te bepraten? Jullie moeten slapen!" Ik was net twintig, Grada bijna dertig jaar.

Mijnheer was, zoals gezegd, een vriendelijke man. Hij bekleedde nog enkele belangrijke maatschappelijke posities. Zo was hij kamerheer van de koningin.

 

 

Gemeten naar hun rijkdom leefde het echtpaar betrekkelijk eenvoudig. Mevrouw - en ook meneer wel - ging bij ziekte in de gezinnen van hun pachters altijd op bezoek.

De dagtaak

Mijn werk begon om zeven uur. Op dat tijdstip moest ik voor mevrouw een glas heet water bij haar slaapkamerdeur zetten en haar wakker roepen. Dat water dronk ze omdat het zo goed tegen de reumatiek zou zijn. Voor zover ik weet, leed ze overigens niet aan die kwaal.

Hierna maakte ik de ontbijttafel klaar. Net als bij de familie Vos de Wael aten Grada en ik in de keuken. Na het ontbijt maakte ik eerst de bedden op en beredderde vervolgens de vele kamers. Beneden lagen de salon, huiskamer, serre, eetkamer, dessertkamer, keuken, het kantoor van mijnheer en nog een kantoorruimte. Boven was een groot aantal slaapkamers. De meubels op de eerste verdieping waren van mahoniehout. Een keer in het jaar moesten ze grondig in de was worden gezet. Dit was een heel karwei, waarbij Grada altijd hielp. Mevrouw had de hebbelijkheid om op kousenvoeten rond te lopen en onverwachts voor ons te staan met de woorden: "Ik kom eens even kijken of jullie wat uitvoeren!"

 

 

Het huis telde een flink aantal open haarden. Maar er was wel elektrisch licht. In de kelder stond een aggregaat dat om de veertien dagen de accu op moest laden. Als dit gebeurde stond de motor de hele dag aan; een vervelend geluid.

Er was ook een badkamer, met een kraan voor warm water. Dit werd verwarmd in een boiler.

(voor het vervolg, deel 2, klik hier)

 

Dit artikel, van Mini Buit en Freek Peereboom, is eerder gepubliceerd in het tijdschrift IJsselakademie nr. 4 december 1995.

Reacties

afbeelding van d.h. baalman
Wat een prachtig relaas! Mooi gevoel voor details....