Geplaatst door: 
Verhaal

Twintig jaar toeren langs Windesheimse kloosters

Auteur: 
Ewout van der Horst

Alle restanten opsporen van de 102 kloosters die ooit behoorden tot het kapittel van Windesheim, ga er maar eens aanstaan! Ton en Bernadette Hendrikman uit Zwolle brachten samen met karmeliet Rudolf van Dijk en Gerry van der Loop bijna twintig zomervakanties door met het speuren naar de materiële nalatenschap van de roemruchte kloostertak van de Moderne Devotie. Hun zoektocht bracht het viertal in allerlei uithoeken van Noordwest-Europa. Naast kerken, kloosters en ruïnes troffen ze eigentijdse devoten aan, dieren onder middeleeuwse gewelven en zelfs gevangenen in voormalige kloostercellen.

Het plan om alle locaties van de kloosters van Windesheim te bezoeken is eind jaren tachtig aan de keukentafel van de familie Hendrikman ontstaan. Aardrijkskundeleraar Ton Hendrikman had in Zwolle aan de wieg gestaan van de stichting Thomas a Kempis en zat samen met de Nijmeegse wetenschapper Rudolf van Dijk, een gerenommeerd Moderne Devotie-deskundige, in de historische werkgroep kloosters IJssel-Vechtstreek van stichting IJsselacademie. Van Dijk kwam regelmatig bij familie Hendrikman over de vloer.

‘Rudolf had alle 102 kloosters van het kapittel van Windesheim met naam en toenaam op papier gezet’, vertelt Ton Hendrikman, ‘maar als geograaf vraag je je al snel af waar al die kloosters nu lagen. Je wilt ze het liefst op een kaart intekenen. Daarom hebben we besloten alle locaties op te gaan zoeken.’ Samen met Gerry van der Loop, een goede vriendin van Rudolf, stapten ze in de auto om alle Windesheimse kloosters in een bepaald gebied op te sporen. ‘Meestal huurden we een pensionnetje of een huisje, van waaruit we de locaties bezochten’, licht Bernadette toe. ‘Rudolf reed graag en heel snel. Je moest zorgen dat je je benen op tijd binnen boord had, want hij reed weg voordat je er erg in had!’

“We rijden door iemands weiland!”

In de loop van de jaren bezochten ze vrijwel alle overblijfselen van Windesheimse kloosters, alleen Jasienica in Polen niet. ‘De kloosters waarvan we uit de literatuur met zekerheid wisten dat er niets meer van over was, hebben we ook niet gedaan’, aldus Ton. ‘Dat ging om een handjevol.’ Van Dijk verrichtte serieus vooronderzoek: ‘In de kofferbak lag een hele stapel met boeken en mappen – er bleef niet al te veel ruimte voor bagage over. We gebruikten stafkaarten om de locatie op te sporen. Google maps bestond de eerste jaren nog niet.’ Als ze de locatie niet konden vinden, gingen ze gewoon een andere dag verder zoeken: ‘Zelfs als er niets van het klooster over was, wilden we zo precies mogelijk weten waar het had gestaan. Uiteindelijk namen we soms maar genoegen met een straatnaambordje Klosterstrasse. Dan maakten we daar maar een foto van.’

Bernadette: ‘We deden één, hooguit twee kloosters per dag. We waren wel op vakantie. We hebben eindeloze afstanden over binnenwegen afgelegd. “Rudolf, dit kan echt niet! We eindigen daar in een weiland.” “Ja maar, op de kaart staat dat het kan.” “Lieve Rudolf, dit is geen weg. We rijden door iemands weiland!” Als hij in zijn hoofd had dat daar een klooster lag, dan moesten we gewoon door. Tussen de middag gingen we steevast picknicken, met kleedje, koffie en al. Pas als onze taak voor die dag was volbracht, gunden we onszelf tijd voor ontspanning. Dat varieerde van 5 uur ’s middags tot ’s avonds 8 uur. Dan gingen we een wandeling maken of uitgebreid eten.’

Een veeschuur met steunberen

Uitgangspunt van de speurtocht vormde het Monasticon Windeshemense, een driedelig naslagwerk over de mannen- en vrouwenkloosters van Windesheim uit de jaren zeventig. ‘We probeerden uit de beschrijving van de kloosters in het Monasticon te achterhalen of we ten noorden, oosten, zuiden of westen van de betreffende plaats moesten zijn’, vertelt het Zwols echtpaar geestdriftig. ‘We probeerden ook goed op onze neus af te gaan en logisch te bedenken waar de kloosters in het landschap hadden gestaan. Een kloosterkerk staat ergens meestal buitenaf en in de buurt van water. Uiteraard deden we ook navraag bij mensen ter plekke. Sommigen hadden geen benul, maar soms kregen we te horen: “Ja, mijn grootvader zei altijd dat zus en zo.” Zo kwam je weer verder.’ Gaandeweg merkte het reisgezelschap dat er de nodige hiaten en fouten zitten in de beschrijvingen van het Monasticon. ‘Soms waren beschreven gebouwen niet meer aanwezig, maar het kwam ook voor dat we een ruïne aantroffen, terwijl in de beschrijving geen bouwresten waren vermeld.’

Hendrikman en Van Dijk hadden zich ook serieus in de bouwkundige kant van het verhaal verdiept. Ton: ‘We gingen uit van een model hoe een klooster was opgebouwd: een kerk, een vierkant gebouw voor de kloosterlingen – meestal tegen de zuidmuur van de kerk, met daaromheen de bedrijfsgebouwen: de stal, schuren, wagenmakerij oftewel het agrarisch-ambachtelijke gedeelte. Als je dat ideaalbeeld van een klooster in je hoofd hebt, weet je waar je op letten moet. Wanneer we bouwresten aantroffen, probeerden we die te duiden. Als we daar een nis aantroffen, gingen we even verder op zoek naar dit of dat element en warempel: het zat er.’

Niet dat het altijd even gemakkelijk ging. ‘We hebben bij Brussel in het Zoniënwoud gelopen waar het klooster Groenendaal van Jan van Ruusbroec had gestaan, maar waar niets van over was’, memoreert Bernadette. ‘Totdat we bij een paar vijvertjes in het bos terecht kwamen die oorspronkelijk als visvijvers bij het klooster hadden behoord. Dat wisten we uit de beschrijving. Daarmee hadden we toch iets!’ Ton: ‘Maar daarmee waren we er niet. We hadden onze auto geparkeerd bij een grote stal, die goeddeels was overwoekerd. Toen we eenmaal terug in Nederland waren en de foto’s hadden laten ontwikkelen, zag ik fragmenten van steunberen in de muur van die schuur. Dat moest wel een restant van de kloosterkerk zijn. Later zijn we nog weer teruggegaan. Er stonden koeien in. Daarbinnen zagen we een merkwaardige boogconstructies die duidden op een hoge ouderdom.’

Resultaat in tabelvorm

Van de ruim honderd kloosters bleken er nog tien complexen min of meer volledig intact. Daarnaast resteren nog twintig kerken. Grofweg een derde van de kloosters is verworden tot een ruïne of bestaat uit schamele bouwresten en nog weer een derde is compleet van de aardbodem verdwenen. Alle onderzoeksresultaten heeft Ton Hendrikman verwerkt in het bijgevoegde Tabellarium chronologium Windeshemense. In twee versierde tabellen staan alle Windesheimse kloosters chronologisch onder elkaar, met vermelding van plaats- en eigennaam, mannelijk of vrouwelijk karakter, organisatievorm en overgeleverde staat.

‘Een prachtig voorbeeld van een Windesheims klooster is Dalheim bij Paderborn’, stelt Ton. ‘Het is in gebruik als museum. Zelfs de ommuring is er nog aanwezig, evenals de stallen.’ Eén van de kloosters was bestemd als gevangenis. De cellen van de kloosterlingen waren letterlijk nog in gebruik. ‘Een Windesheims klooster dat nog als klooster fungeert, hebben we niet aangetroffen’, antwoordt Bernadette desgevraagd. ‘Hooguit zat er nog een bezinningsoord of iets dergelijks in, zoals in het geval van Frenswegen. Bij het Vlaamse klooster Onze Lieve Vrouwe ten Troon waren wel drie zusters die in de geest van de Moderne Devotie een huis voor geestelijk gehandicapten waren begonnen. Een paar jaar later hoorden we dat het initiatief toch was misgelopen.’

Na zo’n twintig jaar ‘werkvakanties’ - met enkele tussenpozen - hadden ze alle Windesheimse kloosters gehad. Om het af te leren volgden nog twee reizen langs kloosters van de Kartuizers (‘inspiratoren van de Moderne Devoten’) en bijzondere kerken dichterbij huis. In 2015 overleed Rudolf van Dijk. ‘Het leuke van onze kloostertochten was dat we in gebieden kwamen die niet in de folders staan beschreven’, besluit Bernadette. ‘We kwamen door prachtige landschappen en in heel fraaie plaatsjes. Af en toe riep ik: “Daar wil ik naar toe!” Maar dat kon niet, want we moesten naar het klooster.’

Reacties