Geplaatst door: 
Verhaal

Toverij in Raalte, een proces in 1713

Auteur: 
Freek Pereboom

In 1713 lag de vrouw van Berend Wissink ziek te bed. Man en vrouw waren ervan overtuigd dat die ziekte aan betovering te wijten was. Berend Wissink - ook Schotman genoemd en als "kotter" in de buurt van Schoonheten woonachtig - had tegen zijn vrouw gezegd dat niemand anders dan Arme, de vrouw van Gerrit van Dorsten deze betovering veroorzaakt kon hebben.

De echtelieden wisten ook dat er maar één manier was om de betovering te verbreken en om dit te bewerkstelligen, riep vrouw Wissink haar knecht Willem Willemsen Harkamp en een zekere Gerrit Jansen op 6 juli aan haar sponde en zij legde hun uit waaraan en aan wie haar ziekte te wijten was. Als zij nu bloed van Arme van Dorsten zou hebben, dan zou de betovering ophouden, zo hield zij hun voor. Zij had ook een idee hoe er aan dat bloed te komen zou zijn. Als Willem en Gerrit nu eens naar Arme toe zouden gaan en "deselve sodanig slaan, dat sij bloet van haar kregen; en dat sij dan het bloet an haar souden brengen"? Wanneer zij het voor elkaar zouden krijgen, dan zou zij hen een "goede vereringe" geven, tenminste "als sij weder fris was" zo voegde zij er meteen zuinigjes an toe.

De knecht en zijn metgezel waren bereid voor haar de handen uit de mouwen te steken en zij gingen meteen op weg. Ze namen geen halve maatregel, want Willem nam voor alle zekerheid een snaphaan "geweer" mee. Het was echter ongeladen, zoals hij later tegen de Drost van Salland zou getuigen en "selfs sijnde geen steen op de haene geweest"! De mannen troffen Arme van Dorsten aan terwijl deze in haar tuin de planten aan het wieden was. Vrouw van Dorsten zou wel hoogst verbaasd hebben opgekeken toen zij ineens twee man voor zich zag staan waarvan er één een geweer op haar richtte en haar toevoegde: "gij sult onse vrouwe weder genesen of dat gaet er soo door"! Zij wist in haar verwarring niets anders te doen dan maar met de mannen mee te gaan. Ze liepen in de richting van Raalte.

De verklaringen die Gerrit Jansen op 20 februari 1714 voor de schout van Raalte en die van Willem Harkamp op 9 juni van dat jaar voor de drost van Salland aflegden, maken geen melding van de reden waarom zij zonder Arme op de boerderij van Wissink terug kwamen. Misschien had de vrouw kans gezien een huis binnen te vluchten of was ze er wellicht in geslaagd de mannen tot het inzicht te brengen dat zij er verstandiger aan deden haar te laten gaan dan haar te dwingen Wissinks boerderij binnen te gaan. In elk geval kwamen ze zonder vrouw van Dorsten en zonder bloed terug. Aan hun opdrachtgeefster vertelden zij dat zij haar wel gesproken hadden, maar dat Arme tegen hen gezegd had dat zij het niet gedaan had en "geen toveren konde". Nuchter eindigt Willem zijn verklaring met de mededeling, dat hij vervolgens "de peerde hadde aengespannen en na het velt was gevaren om sijn werck te doen".

Daar meerder archivalia over deze zaak ontbreken, is het niet duidelijk hoe deze is afgelopen. Op het moment van verhoor door drost Adolf Hendrik, graaf van Rechteren, heer van Almelo zat Willem Harkamp gevangen en dat was bijna een jaar na het voorgevallene. Het is duidelijk dat het dus een slepende zaak was. Doorgaans treft men toverijprocessen in de civiele rechterlijke archieven aan, maar omdat hier bedreiging met geweld had plaatsgevonden, gaat het hier om een criminele zaak die ter beoordeling van de drost stond. Het idee dat het bloed van de van toverij verdachte persoon de betovering zou kunnen doorbreken, is ook van elders bekend. Verder onderzoek brengt mogelijk meer gegevens over deze zaak aan het licht.

*Dit artikel is eerder gepubliceerd in het huisorgaan van de IJsselacademie, 9e jaargang, nr. 4, 1986, 89-90.
**Titelfoto: Dulle Griet, David Ryckaert III, ca. 1655. (Kunsthistorisches Museum, Wenen)

Reacties