Geplaatst door: 
Verhaal

Ter afwending van Gods toorn. Sodomie in Kampen

Auteur: 
H. Reenders

In de maanden mei tot en met september 1730 speelde zich in Kampen een dramatische gebeurtenis af. De jaren 1730-31 staan in onze Nederlandse geschiedenis bekend om de plotselinge ontdekking van het zgn. crimen nefandum, het kwaad "dat niet bekent behoorde te zijn".

Op verscheidene plaatsen - het begon in februari 1730 te Utrecht - werden mensen gearresteerd op verdenking van homosexuele handelingen of wat men toen n.a.v. Genesis 19 als sodomie betitelde. Het waren gebeurtenissen, vergelijkbaar met de heksenvervolgingen uit de middeleeuwen, overslaand van de ene plaats naar de andere. Men schat dat er 250 processen om zijn gevoerd, die leidden tot de executie van 60 mannen en tot 100 verbanningen. Over de oorzaken van deze plotselinge vervolgingen zijn de geleerden het niet eens. Maar duidelijk is wel, dat de overheid als het ware gegrepen werd door de panische angst, dat Gods toorn zich over ons land zou ontladen vanwege deze zonde, die men als de ergst denkbare beschouwde.

Arrestaties

Ter afwending van de toorn van God moesten harde maatregelen getroffen worden opdat Nederland niet hetzelfde lot zou ondergaan gelijk eens de steden Sodom en Gomorra. Behalve in Zwolle werden ook in Kampen verscheiden mensen gearresteerd. Het moeten er zoveel geweest zijn, dat Schepenen en Raden op 15 juni speciale financiële maatregelen moesten nemen om de onkosten van "gevangenname en onderhoud van de gedetineerden" te kunnen dekken. De zaak kwam aan het rollen toen een zekere Hendrik Corver tijdens zijn verhoor op huize van Hasselenberg te Utrecht de namen noemde van 2 soldaten uit het garnizoen van Kampen. Een extract uit dat verhoor werd naar Kampen verzonden. De dag na ontvangst van dat bericht werden de soldaten Pieter Coeivoet en Joost Prins reeds gearresteerd (8 mei 1730). Zij hadden geluk: wegens gebrek aan bewijs werden ze op 25 juli weer vrijgelaten. Maar tijdens de verhoren moeten andere namen zijn genoemd, zodat inmiddels nieuwe arrestaties hadden plaatsgehad.

Op 26 juni viel het eerste slachtoffer: de kleermaker Berend Jordaen stierf in de gevangenis aan "een ettersiekte in de borst" (gevolg van martelingen?). Drie dagen daarna werden de soldaten Jan Westhof en Steven Schuring door wurging om het leven gebracht, waarna hun lichamen, (evenals het lijk van Jordaen) op een mat door de stad werden gesleept naar het galgenveld buiten de Venepoort om daar "in een diep gegravene kuil in een eeuwige vergetelheid gesmeten te worden". Op 22 juli onderging de "handelaar in oude kleren Abraham Marcus ten Oosten eenzelfde lot. In het totaal zijn in Kampen 4 mannen ter dood veroordeeld.

Het zouden er vast nog meer geworden zijn, als niet onmiddellijk na de eerste arrestaties een groepje bekende Kampenaren de benen had genomen (9 mei), namelijk de oud-diaken, gemeensman en serviesmeester Laurens van den Helm met zijn knecht en de gebroeders Arent en Tobias uit het bekende linnenweversgeslacht van Gronouwe. Zij werden op 4 september bij verstek tot verbanning uit stad en provincie en tot ontzetting uit hun ambten en rechten veroordeeld.

Lidmaten

Maar nu de kerkeraad van de Gereformeerde Kerk? Hoe reageerde die op de gebeurtenissen? De Handelingen van de kerkeraad uit die jaren zijn uiterst summier, maar in het verslag van de vergadering van 27 oktober 1730(!) lees je dan ineens, "hoe tot onser groote droefheijt sommige van onse ingesetenen en ledematen der kerk beschuldigt zijn van den gruwel der sodomije, en ook al door den wereldlijken Regter veroordeelt, of uijt de stadt gevlugt zijn sonder verwagtinge van wederte komen" Voorgesteld werd om "ter verfoeijinge suiker gruwelen" de namen van deze lidmaten uit het lidmatenboek weg te schrappen of met een tekentje te merken. Het voorstel werd aangenomen. Men kan nu nog in het lidmatenboek constateren, hoe sommige namen niet alleen zijn doorgekrast, maar ook nog van het merk N.B. zijn voorzien.

De invloed van de kerk is natuurlijk veel groter geweest, dan zijn archieven ons vertellen. Kerk en staat waren voor 1795 zeer nauw met elkaar verweven. Vaak waren het dezelfde mensen, die als schepenen en raden vonnissen velden en die in de kerkenraad zaten. In deze rechtspraak over homofielen kwam tot uitdrukking hoezeer een bepaald Godsbeeld en een daarmee verbonden exegese van het Oude Testament tot afschuwelijke wreedheden aanleiding gaf. Wat dat betreft is het voorbeeld misschien niet zo gelukkig. Het is in ieder geval geen creditpost voor de kerk. Maar het bewijst eens te meer hoe belangrijk de kennis van de geschiedenis van de kerk voor het inzicht in ons verleden kan zijn.

*Dit artikel is eerder gepubliceerd in het huisorgaan van de IJsselacademie, 2e jaargang, 1979, afl. 1, 6-7.

Reacties