Geplaatst door: 
Verhaal

Tachtigers Willem Kloos en Hein Boeken opgepakt in Zwolle

Auteur: 
Jan J. van Herpen

lets minder dan een eeuw geleden, op 14 september 1892, zijn twee auteurs van de Beweging van Tachtig, Willem Kloos (1859-1938) en zijn vriend Hein Boeken (1861-1933), die voor hun plezier een bezoek aan Zwolle brachten en er wat rondwandelden en enkele café's bezochten, een dag lang door de Zwolse politie geschaduwd. Ze werden tenslotte meegenomen naar het politiebureau, waar ze na een aanvankelijk wat bars verhoor geheel onschuldig bleken te zijn. Willem Kloos beschreef het Zwolse avontuur een dag later in een brief aan zijn vriend Pet Tideman in Heerde, bij wie hij en Boeken zojuist enkele weken gelogeerd hadden. 

Brief geschreven door Willem Kloos

"Hotel Ie Passage
G.S. Holterman
Zwolle, den 15 Sept. 1892

Beste Pet,
Zie hier iets ridicuuls en tegelijk onaangenaams, dat mij gisteren overkomen is. Ik ben hier sinds eergisteren in Zwolle en loop mij, evenals Hein, den helen dag te verdommen. Zo liepen we ook gisteren in de Luttekestraat; ik was een eindje vooruitgeslenterd en toen ik omkeek waar Hein bleef, zag ik hem praten met twee individuen (van wie de een later bleek vrij wel een meneer te zijn). Ik begreep het wel niet goed hoe, maar ik dacht toch even dat het zijn oud-medestudenten Gunning en Adriani waren, die hier tegenwoordig dominé en conrector zijn. Bescheidenlijk draaide ik daarom mijn hoofd weer om, en wachtte. Daar hoor ik mij plotseling aanspreken, en zie dat een der twee vreemdelingen mij naderbij gekomen is. Hij zegt, op Hein wijzend: 'Is dat uw kameraad?' Verbaasd over zulk een onhoffelijke toespraak, kijk ik den man met zonderlinge ogen aan waarop hij zijn vraag in een anderen vorm kleedt: 'Behoort die meneer bij u? Ik ben inspecteur van politie, weet u.'

De vraag was nog wel vreemd, maar toch beleefder en voor dat inspecteurschap had ik veel respect. Misschien was er wel een moord gebeurd in de buurt of een diefstal en hield men mij, als mij niet kennende, van die wandaad verdacht. Toen die man hierop zei, dat hij een woordje met mij spreken wou, en of ik hem volgen wou, zei ik gedwee: 'Heel graag.' Wij gingen toen met z'n vieren naar 't bureau. De man proponeerde, dat we vooruit zouden loopen, de meneer (zo zal ik hem noemen) beweerde daarentegen, dat het geen schande was om met hem gezien te worden.

Op het bureau

Er werd mij geen stoel gepresenteerd en de man hield zijn hoed op. Tussen ons was een balie, naast me een vreeslijk langen en somber-kijkenden agent, gereed om mij op te eten. Toen begon het verhoor. De juiste volgorde der vragen weet ik niet meer, omdat de meneer herhaaldelijk het zelfde vroeg; maar 't ging ongeveer zo: Hij: 'Waarom komt u hier?' Ik: 'Voor mijn pleizier.' Hij: 'Ik begrijp niet dat men in Zwol voor zijn pleizier komt.' Stilte. Hij: 'Drijft u handel ergens in?' Ik: 'Neen.' Hij: 'Is u geen agent in sterken drank?' 'Neen, ik heb u gezegd, dat ik hier voor mijn pleizier kom.' Hij: 'Dat kan niet, dat gebeurt hier nooit in Zwol. Wat is uw naam?' Ik: 'Willem Kloos.' Hij: 'Ja dat kan u nu wel zeggen, maar dat geloof ik niet.' Ik: 'Ik kan u de brieven laten zien, die ik in mijn zak heb.' Hij: 'Brieven zijn geen bewijs.' Ik neem het gebaar terug, dat ik al naar mijn zak had gedaan en zeg: 'Dan zal ik ze ook maar latenzitten.' Hij: 'Ja, maar ik wou nu wel eens weten, wie u bent, en waarom of u hier komt.'

Ik, geëxaspereerd door zulk een idiote ambtsbetrachting, zeg op vastberaden toon: 'Goed, u is inspecteur, u heeft het recht mij te ondervragen, ik zal u precies mededelen wie ik ben, waar ik vandaan kom en waar ik heen ga.' Hij: 'Begint u dan maar, maar zou het dan niet goed zijn dat die andere meneer eerst de kamer uitging?' Ik: '0, uitstekend,' lachend, (want ik begon het nu toch komiek te vinden) tegen Hein: 'Ga jij maar even weg, Hein.' Hein weg. Ik: 'Ik zal u precies zeggen, wat ik in den laatsten tijd heb gedaan. Ongeveer 3 weken geleden kreeg ik een brief van menheer P. Tideman wonende te Klein Vosbergen bij Heerde, of ik daar wou komen logeren. Ik heb dat gedaan, ben er drie weken geweest, en gister morgen hier gekomen, om nog eens verder wat het land in te gaan.' Hij: 'U zegt Tideman?' Ik zeg: 'Ja menheer Pieter Tideman, zoon van Dr. B.Tideman, dominé te Haarlem!' Hij: 'U bedoelt dr. Bruno Tideman, remonstrants predikant te Haarlem.' Ik: 'Ja, zoals u wil.' Hij: 'Maar dat verwondert mij ten zeerste, ik ken dien meneer Tideman zeer goed, dat is een zeer achtenswaardig man.' 

Hij: 'Die meneer Tideman heeft een zoon die te Amsterdam is?' Ik: 'Ik weet niets van meneer Tideman z'n familie af. Ik ken alleen dien énen zoon, die studeert.' Hij, een beetje minder bars dan te voren: 'Ja, ziet u, het geval is zo. Wij hebben u al den helen dag laten surveilleren, wij weten alles wat u van daag gedaan heeft, wij Zwolse politie zijn zeer precies, daar komt hier geen mens of we moeten weten wie hij is. Nu loopt u hier vandaag op een onbegrijpelijke manier rond. Vanmorgen is u al gezien, door enige mensen achter de volksgaarkeuken. Vanavond heeft u eerst in De Doelen een cognacje gedronken, toen - in de Passage - nog een cognacje, en eindelijk hebt u bij Juffrouw Ganseboom nog een half flesje gekocht. U ziet, dat wij alles weten. Hoe is uw naam?' Ik: 'Willem Kloos, redacteur-secretaris van de Nieuwe Gids.' Na een pauze, wat zachter: 'Een maandschrift, dat u misschien wel eens.. .' Hij: 'En uw vriend, hoe heet die?' 'H.J.Boeken, doctorandus in de letteren.' '0, zo, dat verandert de zaak.'

Tegen de agent: 'Laat die andere menheer maar binnenkomen.' Ik: 'Mag er hier gerookt worden?', met een gebaar naar mijn zak. Hij, wat verlegen: '0 ja, u kan nu wel achter de balie komen. Ik zal u een stoel geven. Mag ik u misschien zelf een sigaar aanbieden?' Ik, gaande zitten: 'Heel graag, dank u.' Nu volgde een stroom van excuses, verklaringen, etc. van zijn kant, dat hij zelf ook superieuren had, die hem ook op de vingers tikten enz. (N.B.: één van de punten van beschuldiging was, dat ik dien morgen was gezien in een ...hoedenwinkel, wat bovendien onjuist was). Hij vertelde toen dat hij een neef van je was, op de volgende manier: 'Mijn naam is Modderman, dus ben ik geparenteerd aan Dr B.Tideman.' De agent werd nu weggestuurd om te rapporteren, te verifiëren of iets anders te eren, en een ogenblik later zei de menheer, dat ik nu kon gaan en blijven, net zoals ik wou: waarop Hein verneukeratief vroeg: 'Of menheer hem nu permissie gaf om naar Vulker (een café) te gaan.' Daarop gingen wij heen.

Zoiets zots

Hoe vind je nu zo iets? Nog een paar staaltjes van idiotisme. 1e. Hij: 'Waarom gaat u op één avond naar twee café's?' Ik: 'Omdat ik mij verveel.' Hij: 'Dat is geen antwoord, u zegt dat u hier gekomen is voor uw pleizier.' Ik: 'Ja, maar toch verveel ik mij, ik kan toch 's avonds niet op een hotelkamer gaan zitten.' 2e. Hij: 'En heeft u niets gemerkt van dat surveilleren den helen dag?' Ik: 'Neen, natuurlijk niet.' Hij: '0, dat is een bewijs voor uw onschuld, als u schuld hadt zou u 't wèl gemerkt hebben!' Neen maar Pet, heb je ooit zo iets zots gehoord? Ik werd beschuldigd van zonder bekend doel door Zwolle te zwerven (o.a. werd mij met een triomfantelijke glimlach door je "neef" toegevoegd, dat ik dien morgen een bezoek had gebracht aan het... Museum van Overijsselse oudheden... Hij keek mij daarbij aan, of hij zeggen wou: Zie je wel dat die Zwolse politie je de baas is?), te zwerven, zeg ik, ik word daarom gesurveilleerd, en omdat ik dat niet merk, ben ik onschuldig aan het zwerven. Wat een hoofd, die neef van jou! Als ik jou niet gekend had, had hij me zeker 24 uur in arrest gehouden om naar alle kanten van het land te seinen en zichzelf 24 uur gewichtig te voelen.

Nu, Pet, hartelijk gegroet en een hand van je Wim."

*Dit artikel is eerder gepubliceerd in het huisorgaan van de IJsselacademie, 13e jaargang, nr. 2, 1990, 24-26
**Titelfoto: Willem Kloos en Hein Boeken in Ede, 1894. (Prentenkabinet UB Leiden)

Reacties