Geplaatst door: 
Verhaal

Staphorster deserteurs uit het leger van Napoleon

Auteur: 
Jan Paasman

Bij decreet van 9 juli 1810 werd het toenmalige Koninkrijk Holland bij het Franse Keizerrijk ingelijfd. Eén van de gevolgen hiervan was dat hier de Franse wetgeving van kracht werd met inbegrip van de dienstplicht, de conscriptie. Deze kende men hier te lande niet. Het leger was een zogenaamd staand leger, bestaande uit vrijwilligers die voor een bepaalde tijd in dienst werden genomen.

Deze dienstplicht was echter geen persoonlijke dienstplicht. Men kon een remplaçant stellen, dat wil zeggen een plaatsvervanger vinden die, uiteraard tegen betaling, bereid was de plaats van de dienstplichtige in te nemen. Dit remplaçanten-systeem is pas in 1898 uit onze militaire wetgeving verdwenen. Het zal duidelijk zijn dat van dit remplaçanten-systeem niet direct door de minst draagkrachtigen gebruik werd gemaakt.

Napoleontische oorlogen

Tussen 1810 en 1815 heeft de conscriptie en de in deze periode gevoerde Napoléontische oorlogen tot gevolg gehad dat het aantal jongemannen geboren tussen circa 1790 en 1795 in de lagere inkomensklasse praktisch is gedecimeerd. Alleen al de beruchte veldtocht naar Rusland in 1812 eiste een ontzettend hoge tol. Van de 15.000 Nederlandse jonge mannen die in de leeftijd van 20 tot 23 jaar aan deze tocht hebben deelgenomen keerden er nauwelijks 300 in het vaderland terug. Hierna werden opnieuw beschikbare jongemannen gerecruteerd, waarvan een groot deel het leven verloor in de Volkerenslag bij Leipzig in oktober 1813. In 1815 volgde daarop nog eens de slag bij Waterloo, waarin toen aan vaderlandse zijde nog eens ettelijke duizenden jonge Nederlandse lotelingen sneuvelden of gewond raakten.

Familiegeschiedenis

Bij genealogisch onderzoek zullen dan ook velen stuiten op een jongeman, geboren omstreeks 1790 tot 1795 die onvindbaar blijft. Voor zover hij ongehuwd was, is dat geen genealogische ramp. Aangezien genealogie naar mijn mening niet beperkt dient te blijven tot het opzetten van een aantal stamreeksen ben ik wat verder gedoken in de geschiedenis van deze conscrits, de lotelingen van Nederlandse stam die destijds gedwongen waren dienst te nemen in de legers van een voor hen vreemde natie. Daar was overigens ook nog een andere reden voor. In mijn familie ging namelijk het verhaal dat ons geslacht uit Rusland zou stammen. Nu hebben dergelijke sagen vaak een historische achtergrond. Bij het klimmen der jaren en een daarmee stijgende belangstelling voor historische achtergronden, kreeg dat familieverhaal een ander perspectief.

Nu is één van mijn voornamen de meest in Nederland voorkomende, maar de herkomst daarvan hulde zich tot enkele jaren geleden in nevelen. De eerste naamdrager die ons toen bekend was, werd in 1817 geboren. Net iets te laat om nog uit Rusland te komen met de Kozakken die ons in 1813 de bevrijding brachten. De vader was namelijk een rasechte Staphorster. Er was echter wel iets vreemds met deze Jan. Eigenlijk heette hij Marten, recht toe recht aan naar zijn vaders vader. Zoals tot op heden in de familie gebruikelijk. Maar hij was Jan gedoopt, dat staat ook recht toe recht aan in het NH doopboek van IJhorst. Bij zijn tweede huwelijk moest er zelfs nog een correctie in de huwelijksakte worden gemaakt omdat Jan zich doodleuk met die naam had laten registreren in plaats van met zijn wettelijke voornaam Marten. Het heeft lang geduurd eer wij achter een redelijk vermoeden kwamen waarom hij Jan gedoopt was en die naam zijn leven lang heeft gedragen maar voor de wet Marten heette.

Lotelingenlijsten

Door een toeval kwamen wij er achter dat de vader van Jan/Marten een broer Jan had die in 1790 te Staphorst is geboren. Hij werd niet zoals gebruikelijk gevonden in het doopboek van de NH-kerk ter plaatse maar in het oud-archief van de gemeente Staphorst. In het "Journal du Maire pour servir à I'lnscription", de lotelingenlijst van de in 1790 geborenen. In dat archief bleken ook nog dergelijke lijsten over de jaren 1811 en verder aanwezig te zijn. Bij verder onderzoek werd ontdekt dat dezelfde soort lotelingenlijsten in andere gemeenten in Overijssel aanwezig zijn. Zeker in het oud-archief van de gemeente Brederwiede (nu gemeenterachief Steenwijkerland), waarin zoals bekend zijn opgegaan de gemeenten Blokzijl, Giethoorn, Stad en Ambt Vollenhove en Wanneperveen. Deze lotelingenlijsten geven inlichtingen over de naam, voornamen, geboortedatum en plaats van de loteling, de namen van zijn ouders, al of niet overleden, het beroep van loteling en ouders alsmede over de lichamelijke en geestelijke gezondheid van de conscrit.

Soms wordt het regiment genoemd waarin de desbetreffende soldaat of het oorlogsschip waarop de matroos werd geplaatst. Alleen daarom is het raadplegen van deze lijsten al interessant en dikwijls noodzakelijk om de verdere levensloop van de loteling te volgen. In het Historisch Centrum Overijssel te Zwolle bevindt zich in het archief van het Departement der Monden van den IJssel (Département des Bouches de l'lsle) en zijn Sous-Préfecten: een enorme schat aan gegevens over de lotelingen in de tijd dat ook het tegenwoordige Overijssel deel uitmaakte van het Franse Keizerrijk. Het bezwaar is echter dat deze archieven moeilijk toegankelijk zijn en de stukken voor het merendeel in het Frans zijn opgesteld. Vooral de archieven van de Sous-Préfecten zijn voor het onderzoek van groot belang. Volgens mijn gegevens bestond het desbetreffende departement uit drie arrondissementen onder het bestuur van een dergelijke Sous-Préfect, namelijk Zwolle, Deventer en Almelo. Als mijn aantekeningen nog juist zijn is het archief van de Sous-Préfect van Zwolle genoemd onder 7Ab volgens een magazijnlijst.

De houding van de bevolking tegenover de Franse bezetter - want dat was hij feitelijk - was geheel anders dan in de periode 1940-1945 tijdens de Duitse bezetting. Samenwerking met het Franse bestuur werd in het geheel niet als collaboratie geschouwd. Het Franse bestuursapparaat met zijn Nederlandse ambtenaren werd praktisch geheel ongewijzigd door Koning Willem I en zijn regering overgenomen. Weliswaar bracht het Continentale Stelsel de handel veel nadeel, maar anderzijds bloeiden de landbouw en bepaalde takken van de industrie door het wegvallen van de buitenlandse concurrentie. Veel verzet was er dan ook niet tegen invoering van de gedwongen dienstneming, al zal er wel gemord zijn. Dit veranderde toen duidelijk werd welk een hoge tol de Napoléontische oorlogen aan jonge mannen vroeg. Ook in brieven aan huis lieten de lotelingen zich beslist niet positief uit over de behandeling in het Franse leger.

Protest

De loteling wiens brief ik in mijn bezit heb, was toen nog maar in Sentenie (Saint-Denis) in "opleiding". Hij schrijft onder meer: "Lieve ouders, zij hebben ons beloofd dat wij na een half jaar weer te Uwent zouden zijn. Het halvejaar is al lang om en ik verlang zeer naar U. Wij hebben in enkele dagen nauwelijks te eten gehad maar ons is beloofd dat wij morgen een warme maaltijd zullen krijgen. Zij hebben al zoveel beloofd..." Onwillekeurig dringt zich een vergelijking op met de Nederlandse jongemannen die in 1940- 1945 door de Duitse bezetter werden weggevoerd, als arbeider naar de Heimat. Zo neemt het verzet tegen de conscriptie geleidelijk toe. In 1812 komen steeds meer signalementen van deserteurs in de archieven van de genoemde préfecten voor. Hiervan zijn soms afschriften in de oud-archieven van de gemeenten. Steeds dreigender wordt de toon van de Prefect en zijn plaatsvervangers aan de verschillende burgemeesters (maires). De ouders van de déserteurs worden bedreigd met inkwartiering van Franse gendarmes en beboeting.

Zo werden de ouders van Hendrik Klaas Lier te Staphorst beboet met 500 francs. Klaas Arend Lier en Femmigje Jans waren slechts dagloner zodat zij dit bedrag onmogelijk konden voldoen. Burgemeester Ebbinge Wubben heeft dan ook bij zijn superieur kwijtschelding van deze boete gepleit. Oorlog brengt ook gewonden met zich mee en deze werden toen ook al zo spoedig mogelijk weer naar huis gestuurd. Uit de genomende archieven is te merken dat het aantal gewonden per lichting gestaag toeneemt. Zij worden namelijk daar per lichting geregistreerd. Helemaal zonder financiële tegemoetkoming ging dat niet. Gelet op de hoogte van de vergoeding zou kunnen worden geconcludeerd dat deze afhankelijk was van de aard der verwonding. Zo kreeg Jan Taaien, loteling nummer 59 van de lichting 1810, zoon van Hendrik Jans Taaien, een "schade- vergoeding" van 96 francs en 32 centimes, één der hoogste die ik heb kunnen ontdekken. Voor die tijd zeker een niet gering bedrag.

Deserteurs

De genoemde signalementen van deserteurs zijn in meer dan één opzicht interessant. Daarop komen behalve de naam en voornamen van de loteling ook voor de namen van zijn ouders met woonplaats en beroep, al of niet overleden zijnde, en uiteraard de geboortedatum en plaats en het signalement van de gezochte, alsmede het legeronderdeel dat de opsporing verzocht. Dit laatste is een zeer belangrijk gegeven voor verdere naspeuringen. Mogelijk hebt u het al begrepen. Ook de gezochte Jan bleek een deserteur te zijn. In juli 1812 blijkt zijn opsporing verzocht te worden door de commandant van het 9de Régiment Chevaux Légers te Bremen. Zijn ogen, haar en wenkbrauwen waren bruin, kenmerken die naast dienstweigering onder de huidige Jannen in de familie niet meer voorkomen. Waar zou onze Jan zijn gebleven?

Het heeft mij jaren gekost om daarachter te komen. Het legeronderdeel was in ieder geval bekend. Een kopie van het signalement werd opgestuurd naar het Ministère de la Défense, Etat-major de l'Armée de Terre, Servise Historique,94300 Chäteau de Vincennes (Ia France) in de buurt van Parijs. Via de Franse Ambassade te Den Haag werd mij per gedeeltelijk gestencilde brief meegedeeld dat er niets van hem te vinden was. Gelet op het stencil hakte men daar ook met de bijl van de onvindbare personen. Zoals gezegd nam het verzet tegen de gedwongen dienstneming toe, vooral na de échec in Rusland. Niet echter in april 1813 bij de welgestelde families waaruit Napoléon I ongeveer 500 zonen voor zijn eregarde wist te recruteren. Van de 435 weigerden er slechts 21 en hun verzet was ook nog niet principieel, want zij lieten weten wel bereid te zijn een plaatsvervanger te sturen.

Staphorst

Anders werd het bij het gewone volk. Dit begint zich al meer en meer op lokaal niveau tegen de gedwongen dienstneming - niet tegen de Franse overheersing - te verzetten. In de gemeente Staphorst wordt het helemaal bar. De burgemeester Ebbinge Wubben wordt door de Sous-Prefect schriftelijk onder steeds grotere druk gezet doch houdt de boot af. Volgens hem is desertie onder de inwoners van zijn gemeente niet mogelijk. Op 13 augustus 1813 is het echter in Staphorst raak. De Sous-Prefect stuurt een aantal gendarmes op onderzoek uit en laat deze inkwartieren bij de ouders van de bij hem bekende deserteurs alsmede bij hun buren. Nota bene op hun kosten. Kennelijk waren de Fransen het systeem van de dragonnades bij de onderdrukking van de Hugenoten in hun eigen land in de 17e eeuw nog niet vergeten.

Het resultaat was dat 11 déserteurs boven water, of liever gezegd in Staphorst boven het veen kwamen. Zij worden met name genoemd in de correspondentie tussen de commandant van de gendarmes en zijn superieur, de Sous-Préfect te Zwolle. De overlevering in Staphorst wil echter dat zij als gevolg van verraad zijn gevonden, gefolterd en achter het paard gebonden weggevoerd en tenslotte de dood hebben gevonden. Het is bekend dat de Fransen niet zachtzinnig tegenover de deserteurs optraden en zij deze onder meer aan een touw gebonden achter het paard wegvoerden. Het staat echter te bezien of dit in het Staphorster geval ook de geschetste gevolgen heeft gehad. In de eerste plaats hebben de Fransen zich nogal wat moeite getroost om de desterteurs in handen te krijgen die zij gezien hun geweldige verliezen op het slagveld dringend nodig hadden. In de tweede plaats is hun overlijden niet gevonden in de overlijdensregisters van Zwolle en tussenliggende gemeenten met Staphorst.

Het zal ook duidelijk zijn dat de gezochte Jan zich onder de bedoelde 11 Staphorster deserteurs bevond. Een lijst met gegevens van deze 11 deserteurs werd gezonden naar het eerder genoemde adres van de Service Historique in het kasteel te Vincennes. Gevraagd werd om na te gaan of in de desbetreffende archieven ook van hen gegevens te achterhalen zouden zijn. Weer via de Ambassade te Den Haag ontving ik een brief. Daaraan kon men
niet beginnen. Ik moest zelf maar komen, maar liefst wel van te voren melden. Van iemand die zelf eens door een bezetter gevankelijk is weggevoerd en dan nog wel met zo'n zelfde voornaam, is de reactie wel voorspelbaar. Ik heb de President van de Franse Republiek persoonlijk laten weten dat naar mijn mening Frankrijk nog een ereschuld had in te lossen tegenover de verwanten van diegenen die destijds tegen hun wil hun leven hadden moeten geven "pour I'honneur et la patrie d'un Empereur" die de hunne niet was. De Président de la Répubique Française et son Ambassade hebben na jaren nog steeds niet geantwoord. Kennelijk te druk met l'honneur et patrie.

Jan

Wat mij betreft hoeft het ook niet meer want Jans einde is gevonden in de micro-fiches van de in Franse hospitalen overleden en gewonden en zieken van de Grande Armée, berustend bij het Centraal Bureau voor Genealogie te Den Haag. Het was wel een heel gezoek in deze soms slecht leesbare fiches met vaak verbasterde namen en woonplaatsen. Jan overleed 30 september 1813 aan koortsen in het hospitaal te Wezel, nauwelijks zes weken nadat hij werd opgepakt. Behalve Jan werd nog een andere van de 11 deserteurs gevonden, zodat er nog 9 resteren. Aangenomen mag worden dat ook zij in Franse krijgsdienst zijn overleden, mogelijk in de slag bij Leipzig. In de overlijdensregisters van Staphorst komen zij niet voor. In de registers te Vincennes zullen zij moeilijk te vinden zijn, omdat hun legeronderdeel waaronder gezocht moet worden hoogstwaarschijnlijk niet dezelfde is als genoemd in hun desbetreffende signalementen. Ook van Jan en de andere gevonden deserteurs wijkt het legeronderdeel af van het op hun signalement vermelde.

Vrijwilligers

Niet alleen hebben Nederlandse dienstplichtigen in dienst van het Franse Rijk deelgenomen aan de veldtocht in Rusland en aan de Volkerenslag bij Leipzig. Reeds vanaf 1808 waren Nederlandse vrijwilligers en na 1810 dienstplichtigen ingezet in Spanje bij de onderdrukking van de opstand tegen de Franse bezetter. Vastgesteld moet worden dat de Nederlanders daar met hun Franse heren vaak bijzonder rigoreus tegen de bevolking zijn opgetreden. Misschien is deze rol te verklaren uit enige herinnering aan 80 jaren oorlog tegen Spanje, maar het geeft wel te denken. Van de stamboeken van deze regimenten Nederlandse vrijwilligers zijn sommige nog te vinden in het Nationaal Archief te Den Haag.

En nu nog de Rusland-sage in de familie. Natuurlijk is er nooit enig bericht van overlijden van onze Jan ontvangen. Hoewel tijdens de Franse razzia in Staphorst in augustus 1813 de veldtocht naar Rusland al achter de rug was, is daarmee na verloop van tijd toch een relatie gelegd. De verdwenen Jan moet in de familie wel zo'n rol hebben gespeeld dat hij niet alleen vernoemd moest worden, maar ook nog op den duur als aartsvader uit Rusland gediend heeft. 

*Dit artikel is afkomstig uit het huisorgaan van de IJsselacademie, 1986 (1).

Reacties