Geplaatst door: 
Verhaal

Rondom dominee Frederik van Leenhof (deel 1)

Auteur: 
L.J. Rietema

Frederik van Leenhof werd geboren in augustus 1647 te Middelburg als zoon van Wouter en Magdalena van den Berge, diens eerste echtgenote. Hij bezocht aldaar het gymnasium van 1656 tot 1663, studeerde daarna theologie. Na in 1668 door de classis van Walcheren geëxamineerd te zijn was hij van 1670 tot 1671 predikant bij de Vlaamse gemeente te Abbéville in Picardië. Hij bleef daar niet lang, werd in  december 1672 beroepen tot predikant te Nieuwvliet, onder Oostburg in  Staats-Vlaanderen, alwaar hij op 8 januari 1673 werd bevestigd.

Echter in 1678 was hij predikant bij de Buitengewone Ambassade te Parijs, terwijl hij zich in 1679 als Hofprediker bij Princes Albertine Agnes, de weduwe van de Friese Stadhouder Willem Frederik in Duitsland bevond. Doch ook deze betrekking bekleedde hij niet lang, want in 1680 wordt hij aangetroffen als predikant te Velsen in Noord-Holland, welke plaats hij in 1681 weer verwisselde voor Zwolle, de Michaeli-Kerk.

Hij was, wat men tegenwoordig noemt, een 'dissenter', was de theologie van Coccejus toegedaan, keerde zich in zijn boeken en andere geschriften, waar onder "Den Hemel op Aarde" (Zwolle, B. Hakvoort, 1703) tegen de orthodoxie. Vanzelfsprekend kreeg hij hierdoor bij zijn collegae veel moeilijkheden. In de diverse classes en op alle provinciale synodes werd - ook na zijn dood gewaarschuwd tegen van Leenhof's verderfelijke en verfoeilijke, als spinozistisch aangeduide leerstellingen.

In 1704 werd hij dan ook door de Overijsselse synode geschorst, welke schorsing echter door de Zwolse magistraat èn de kerkenraad aldaar niet werd geaccepteerd. Op 16 november 1705 kocht hij zich een huis op de Stads Aa, gelegen tussen de huizen van Baron van Heukelom en Jan Eylarts. In 1711 echter distantieerde zowel de Zwolse magistraat als de kerkenraad zich van hem. Hij werd ontslagen als  predikant, kreeg echter wèl een pensioen toegekend. Op 1 januari 1712 hield hij nog een predicatie (in druk verschenen), waarin hij onder meer zei, dat hij zich niet bewust was "iets te hebben willen leeren en voortplanten, dat strecken kan tot nadeel van God en zyne waerheid".

Hij overleed te Zwolle, werd aldaar in de Michaeli-Kerk op 13 october 1712 in grafnr. 207 bijgezet. Het verschuldigde 'luidgeld' bedroeg 11 gulden en 4 stuivers.

Hij was een geestig man, hetgeen mag blijken uit een bijschrift in "Gedichten op de overheerlijke Papier Snykunst van wylen Mejuffrouw Joanna Koerten", met betrekking tot dier knipwerk, namelijk "iets ter snee, in haest".

In de consistoriekamer van de Michaeli-Kerk bevindt zich een schilderij van de hand van Hendrik ten Oever, een leerling van Gerard ter Borch, geschilderd in 1691, waarop de vijf toentertijd te Zwolle staande predikanten en de koster zijn afgebeeld. Zonder twijfel is de tweede van rechts Frederik van Leenhof.

Ten einde een indruk te geven hoe scherp en fel de strijd tegen hem werd gevoerd laat ik hieronder het bovenste der twee gedichten volgen welke prijken boven een in mijn bezit zijnde kopergravure van de hand van Pieter van Gunst, naar een  geschilderd portret van de hand van Roelof Koets:

'Dit 's beeld van LEENHOF die de Kerck en 't land beroerd en door zyn helsche leer veel menschen heeft vervoerd. Foey! dat men sulck een swyn, ’t welck loochend alle Godheyd. En alle vreese Gods maer houd voor enkel sotheyd. Bedienen laat den Doop en ’t Heyligh Avondmael, 't Welck stryd met Gods gebod en onsen Heylands tael. Wel vrienden, siet dan toe die syt in Kerck geseten, Gehoorzaamd God en quyt hier inne uw geweten.'

In het boek van Carolus Tuinman "Rijmlust etc." vindt men een 'grafschrift' op F(rederik) v(an) L(eenhof), luidende:

'Dit 's LEENHOFS graf. Nu is zyn hemel hier beneen noch boven. Niemand vraag': waar dan? Hy heef er geen."

Van Leenhof, die nimmer gehuwd is geweest, testeerde op 17 juni 1700 voor schepenen van Zwolle. Deze uiterste wil herriep hij bij zijn olographisch testament van 2 juni 1711, waarin hij uitdrukkelijk vermeldde het geheel eigenhandig geschreven te hebben "en met mijn gewoonlijk pitsier (= zegel, cachet) bekragtigt". Het werd bij de Stad in bewaring gegeven en op 17 october 1712 "uyt de francynen (= perkamenten) couvert geligt", in bijzijn van zijn volle zuster Magdalena en zijn halfbroeder Wouter, benevens de schepenen Queisen en Meuwsen.

Over zijn na te laten goederen beschikte hij als volgt:

1. aan zijn volle zuster Magdalena van Leenhof, weduwe Joan Brouwer legateerde hij het levenslang vruchtgebruik van zijn gehele nalatenschap; een inventaris hiervan moest worden opgemaakt;

2. aan zijn tegenwoordige dienstmaegd Willemtie Reinders legateerde hij 100 caroliguldens en één der bedden (blijkbaar erfgenamen kennende staat er uitdrukkelijk "niet het slegste") met toebehoren en twee dekens, twee lakens, voor haar lange trouwe dienst;

3. erfgenamen waren, elk voor een derde deel:

a. zijn broeder van halven bedde, Wouter van Leenhof;

b. zijn nigt Magdalena Brouwer;

c. zijn nigt Dina Brouwer.

Als executeurs-testamentair zouden optreden Wouter van Leenhof en Adam Treurniet, die ook gedurende de minderjarigheid van Magdalena en Dina Brouwers de boedel zouden beheren.

Zie voor het vervolg "Rondom dominee Frederik van Leenhof (deel 2)"

Dit artikel is eerder gepubliceerd in het tijdschrift IJsselakademie 1982 nr. 1.

Reacties