Geplaatst door: 
Verhaal

Restauratie van het Stoomgemaal " Mastenbroek"

Auteur: 
G.O. van der Heide

In 1961 hielden de trage, dreunende slagen van de oude machine van het stoomgemaal van de polder Mastenbroek op. Langzaam kwam de houten drijfstang van de uitzonderlijke, meer dan honderd jaar tevoren door de machinefabriek "De Atlas" gebouwde, stoommachine tot stilstand. De druk op de stoomketel viel weg, de grote schoepenraderen sloegen geen water meer uit de polder en kwamen druipend in hun stille, vaste positie. Het enorme vliegwiel maakte geen omwentelingen meer.

De taak van het op peil houden van het water van de reeds zeer oude polder Mastenbroek werd overgenomen door een modern vijzelgemaal, elektrisch gedreven, dat zojuist door de firma Stork was opgeleverd. 

De vraag kwam op: "Wat doen wij met het buiten werking gestelde stoomgemaal?" Dankzij het initiatief van de Provincie Overijssel en de Stichting Musea Overijssel kwam er een stichting tot stand onder de naam "Oude Stoomgemaal Mastenbroek". Het was een wat vreemde zaak dat de museummensen zich met dit oude stoomwerktuig in zijn bakstenen behuizing gingen bezig houden, want het was geen eigenlijk museum en de belangstelling voor wat nu "industriële archeologie" wordt genoemd was nog niet geboren. Er was geen collectie, hetgeen een kenmerk voor een museum is, behalve dan het ene "museumvoorwerp": de stoommachine en ketel.

De belangstelling voor objecten van "industriële archeologie" kwam pas later op gang, - maar gelukkig was er van het begin af iemand, aan het waterschap IJsseldelta verbonden - die op het gebouwen de machine kon passen en bezoekers kon toelaten. De Provincie ging voor in het beschikbaar stellen van enig geld voor behoud en wat klein onderhoudswerk. In navolging van de Provincie droegen ook Gemeente en Waterschap in het onderhoud bij. Een gekoppelde subsidie dus. Dankzij deze bijdragen is het gemaal bewaard gebleven voor het nageslacht. Maar de subsidiebedragen waren maar net voldoende om te zorgen dat het stoomgemaal bleef staan en er af en toe enkele kleine herstelwerkzaamheden konden worden verricht. Zij waren te gering om de grotere onderhoudswerken, die van jaar tot jaar meer en meer noodzakelijk werden, uit te laten voeren. Uiteindelijk nam de Gemeenteraad van Genemuiden een beslissing die zou leiden tot het uitvoeren van de restauratie toen deze eigenlijk niet langer meer kon worden uitgesteld. In 1982 besloot de Gemeenteraad een bedrag van f 50.000,- voor het restaureren van het oude gemaal beschikbaar te stellen. En het feit dat deze werkzaamheden uitgevoerd konden worden als bouwproject voor leerling-bouwvakkers maakte dat ook de Provincie belangstelling toonde en eveneens f 50.000,- beschikbaar stelde. Nu konden de werkzaamheden uitgevoerd worden door een groep jongeren, die goeddeels betaald worden vanuit sociale voorzieningen. Een goede leermeester en een bereidwillige aannemer werden eveneens gevonden om het werk te begeleiden. Het vindt nu plaats onder directie van de heer J. Katoen van de Provinciale Waterstaat, door de Hoofdingenieur-directeur van die dienst daartoe bereidwillig in staat gesteld. Er is een restauratiecommissie in het leven geroepen, waarin ook de Rijksdienst voor de Monumentenzorg is vertegenwoordigd evenals het Oversticht, alsook de Stichting Oude Stoomgemaal Mastenbroek zelf uiteraard. Intussen heeft ook een aantal instellingen het goede voorbeeld van de gemeente en provincie gevolgd door bij te dragen in de restauratiekosten. Dat zijn het Prins Bernhardfonds, de Dienst Landinrichting van Overijssel te Zwolle in verband met de betekenis van dit stoomgemaal met hoog opgaande schoorsteen als landschappelijk element -, een groep industriëlen van Genemuiden, de Juniorkamer Zwolle en Omstreken en bijna alle Waterschappen en de Nederlandse Waterschapsbank. Ook de Stichting Oude Stoomgemaal Mastenbroek kon een klein bedrag uit eigen middelen bijdragen omdat de jaren voorafgaande aan de restauratie enig onderhoud achterwege was gebleven. Helaas kon de Rijksdienst voor de Monumentenzorg niet bijdragen hoewel deze dienst wel de restauratie subsidiabel achtte.

Geschiedenis van het gemaal

In 1855 vond de aanbesteding voor de bouw van het stoomgemaal plaats en in het daaropvolgende jaar werd de machine gebouwd door de Maatschappij "De Atlas, Fabriek van stoom- en andere werktuigen te Amsterdam". Ook toen al was het een merkwaardig stoomwerktuig, zoals in "de Ingenieur" No. 26 op 27-6-1941 werd beschreven door Prof. ir. D. Dresden. De machine was ten tijde van deze  beschrijving nog geheel in functie en is ook gedurende de oorlogsjaren en daarna in bedrijf geweest. Toen er in de oorlogsjaren tenslotte geen kolen meer waren als brandstof voor het stoomwerktuig, werd de machine wel gestookt met balen stro.

Het uitslaan van het water geschiedde door twee schepraderen, waarvan er bij grote opvoerhoogte één kon worden afgekoppeld. In dat geval maakte de machine 12 omwentelingen, tegen 10 wanneer beide schoepraderen moesten werken, per minuut. De machine had bij 10 omwentelingen per minuut 93 IPK vermogen. De cilinderafmetingen zijn 740 mm middellijn bij 8 voet (2240 mm) slag zo beschreef Dresden. Zij werkte met verzadigde stoom van 4 kg/cm2 overdruk en een injectie-condensatie, die een hoog vacuüm gaf. De machine is te groot voor de  schepraderen, stelde Prof. Dresden vast. Lang niet de volle stoomdruk trad in de cilinder op, maar bij hogere inlaatdruk begon de machine onrustig te lopen.

Het werktuig heeft een liggende cilinder en een essenhouten drijfstang met boven en onder een ijzeren strip. Elke zijde van de cilinder heeft een in- en uitlaatklep. De verse stoom komt boven de klep in de cilinder binnen. Kleppen en zittingen zijn van geschutsbrons gemaakt. De dubbele zittingskleppen worden via een hefboomstelsel door gewichten opengetrokken en door een ingewikkeld mechanisme gesloten. Dit mechanisme wordt door twee stangen gedreven. De beweging daarvan wordt bewerkt door een groot excentriek. Wij gaan hier niet de totale wijze van functioneren van de machine beschrijven.

Wel dient nog te worden vermeld dat er een vliegwiel is met een gietijzeren velling met cirkelvormige doorsnede met een middellijn van 300 mm. De buitendiameter van het wiel is 7500 mm met 9 spaken met cirkelvormige doorsnede. Het totale gewicht van dit geheel is berekend op 17 ton/m2. De luchtpomp wordt gedreven door een excentriek met een slag lengte van 700 mm.

De installatie was overigens niet dagelijks in gebruik. Gemiddeld werkte deze slechts 45 etmalen per jaar. Daaraan was het ook te danken dat de machine, die een hoog kolenverbruik had, niet door een installatie werd vervangen met een geringer energieverbruik, zo dat hij zich zo lang heeft kunnen handhaven in het werk.

Er is door de plaatsvervangend archivaris dhr. J. Grooten van Kampen gezocht naar archiefmateriaal over het gemaal in verband met de restauratie. Uit het Waterschapsarchief diepte hij het "Bestek en Voorwaarden" op "waarnaar zal worden aanbesteed, het stichten van een gebouw tot plaatsing van een stoomschepradgemaal en aanhorigheden,  aan- en verbonden met de Duikersluis in den verlaagden zeedijk bij de Venerijte Zijl in den polder Mastenbroek (4e Dijkdistrict der Provincie Overijssel).

Voor het gebouw werd op 20 september 1855 de eerste steen gelegd door de dijkgraaf van het 4e district Overijssel, de heer P.H. Gallé. De ingenieurs J.A. Beyerinck (die ook in 1865 een plan voor afsluiting van de Zuiderzee zou lanceren) en B.P.G. van Diggelen vervaardigden het ontwerp voor- en waren belast met de directie over het werk, waarvan de uitvoering plaats vond onder de civielingenieur Jhr. W.J. Backer.

Behoud van dit stoomgemaal is daarom zo interessant omdat het een duidelijke stap vertegenwoordigt in de ontwikkelingsgeschiedenis van de waterbeheersing in het lage deel van Nederland. Bedenkend dat een groot deel van dit land - wel ongeveer van de landsoppervlakte - beneden de zeespiegel ligt, is de wijze waarop men in de loop van de eeuwen getracht heeft dit land droog te houden, bewoonbaar en bruikbaar voor land- en tuinbouw en veehouderij en allerlei andere gebruiksdoeleinden van groot belang.

Had men aanvankelijk slechts de mogelijkheid om via duikers of kokers met afsluiters, die soms op eb en vloed konden werken, enige waterbeheersing te bewerkstelligen, met de herkenning van het begrip windenergie in de late Middeleeuwen begon de windbemaling in de lage landen een belangrijke rol te spelen. In de 18e eeuw volgde daarna de ontdekking van stoom als energiebron door water te verhitten tot het gasvormig werd. De poldermolen werkte met schepraderen om het water uit te slaan of met een vijzel, die het water al draaiend opvoerde om het vervolgens aan het einde van de vijzel te laten weglopen op een hoger niveau.

Het stoomgemaal aan de Kamperzeedijk van 1856 was - zoals wij reeds vermeldden - toegerust met twee schoepen- of schepraderen, die met elkaar konden worden verbonden, dan wel los van elkaar konden worden geplaatst. Het nieuwe elektrische gemaal, dat de taak van het stoomgemaal aan de Veneriete, vlak naast het oude werktuig, uiteraard in een nieuw gebouw, ging overnemen is een vijzelgemaal in geheel moderne  uitvoering. Dat is echter niet zo goed te zien omdat de vijzels zijn ingebouwd in een metalen huis. Sedert 1961 houden deze de Mastenbroekerpolder op peil.

De machine van de Atlas in dit eenvoudige waterstaatsgebouw is uniek als machine omdat het een horizontale ééncilinder stoommachine met kleppen is. Deze vertegenwoordigt als zodanig juist een type dat tussen 1860 en 1890 tot ontwikkeling kwam. Er zijn van dit type overigens maar heel weinig exemplaren bewaard gebleven.

Mastenbroek is het laatste exemplaar in Nederlandse makelij. Enkele jaren geleden werd dit gemaal op de lijst voor beschermde Monumenten geplaatst. Op deze lijst komen ook enkele andere bemalingswerktuigen voor. Dat geldt de Cruquius bij Heemstede, een van de gemalen die de Haarlemmermeer hebben drooggemalen, het grote gemaal "In Wouda" bij Tacozijl, westelijk van Lemmer, het grootste stoomgemaal ter wereld kan men zeggen, het gemaal "De Vier Noorderkoggen" bij Medemblik, dat voorbestemd is als stoommachinemuseum, twee gemaaltjes bij Putten en Nijkerk, een werktuig bij Arkel en een bij Halfweg en bij Appeltern. Het zijn interessante monumenten van de Nederlandse waterstaatstechniek.

Deze objecten uit het verleden behoren tot de moeilijkst te behouden herinneringen aan dat verleden, omdat zij geheel verbonden zijn en behoren te blijven met water. De ijzeren machines die niet meer worden gebruikt vereisen veel onderhoud en aandacht om ze in goede staat te behouden; ijzer en vocht zijn elkaar zeer vijandig.

De restauratie van het gebouwen de  schoorsteen staan nu voorop. Maar de mogelijkheden worden ook onderzocht of de machine nog op stoom kan gaan werken, wanneer de werkzaamheden voldoende zijn gevorderd.

Daarbij zullen ook de consequenties, zowel voor het gebouw als voor de uitvoering van het stoken worden betrokken. Vooral ook ten aanzien van dit punt heeft de Stichting veel steun aan de bereidwillige medewerking van de IJsselcentrale met de daar aanwezige technische kennis.

Dit artikel is eerder gepubliceerd in het tijdschrift IJsselakademie, september 1983

Reacties