Geplaatst door: 
Verhaal

Over een oude preekstoel en het eerste orgel in de kerk van Zwartsluis

Auteur: 
Freek Pereboom

Voor het vergroten van de preekstoel werd in 1669 door de kerkenraad van Zwartsluis twintig gulden uitgetrokken. Waarschijnlijk heeft het gestoelte de bezettingsjaren door de Munsterse troepen (1672-1674) niet doorstaan. Zoals gebruikelijk met kerkmeubilair in de nabijheid van soldaten, zal ook hij de koude winter niet hebben overleefd. Enkele jaren na de bevrijding kwamen plannen ter tafel voor het maken van een nieuwe preekstoel. Wie de opdracht kreeg om hem te vervaardigen, is niet bekend. Wellicht was het de Zwolse beeldsnijder Hermannus van Arnhem. Tot in het midden van de vorige eeuw bezat de Waalse kerk van Zwolle een uit 1685 daterende preekstoel, die door Van Arnhem gemaakt was.

Een deskundige heeft mij echter verzekerd, dat het houtsnijwerk op de preekstoel van Zwartsluis van betere kwaliteit is dan dat wat Van Arnhem heeft gemaakt. Mag de naam van de maker dan niet bekend zijn, over de kosten weten we wel het een en ander. In het archief van de hervormde gemeente is namelijk een boekje bewaard gebleven waarin 120 personen die bereid waren aan de nieuwe preekstoel bij te dragen, meestal eigenhandig hun naam en het toegezegde bedrag inschreven. Dit document is niet alleen interessant omdat de namen van de gevers vermeld worden, maar ook vanwege de omschrijving van de bijdragen.

In een groot aantal gevallen schreef men namelijk "ick beloove te geven tot de nye predickstoel van de Swarte Sluijs voor mijn kinderen .....". Deze omschrijving komt té vaak voor -57 maal- dan dat het toeval mag heten. Het totale bedrag waarvoor werd ingeschreven was 464 gulden. De burgemeesters pasten uit de kas van de nederzetting nog 138 gulden bij.

Het boekje begint met het noemen van de grootste bijdragen. De eerste die inschreef was George Charles Gustavus Timmerman die 12 gulden en 12 stuiver toezegde. Wie deze man met zijn mooie voornamen was, viel niet te achterhalen. De tweede intekenaar, de schout van Wanneperveen, noteert: "ick P. Sandra, beloove en neeme aen aen de predickstoel van de Swartesluijs te vereeren acht silveren ducatons". Als datum zet hij er bij 5 september 1683. Niet lang daarvoor zal de actie voor de werving van geld zijn begonnen.

Het boekje is ook merkwaardig, omdat namen die men in de lijst van intekenaars zou verwachten ontbreken. Zo zoekt men tevergeefs naar notabelen als de familie van Dashorst en die van de zittende burgemeesters. Hoe dat zij, de kerkgangers van de oude kerk van Zwartsluis zien 's zondags hun voorganger een preekstoel beklimmen die meer dan driehonderd jaar oud is.

Het orgel

Het huidige orgel heeft met zekerheid een voorganger gehad. Knock beschrijft in zijn Dispositiën der Merkwaardigste Orgelen – verschenen in 1788 - het orgel in de Zwartsluizer kerk. Het instrument had het uiterlijk van een twee-klaviersorgel, want de kast wees op de aanwezigheid van een rugpositief. Bij nadere beschouwing bleek dit er echter niet te zijn. Het orgel had "nog altamelijk fraaije geluijden, maar is ten hoogsten (aan) reparatie onderhevig".

In de kerkelijke noch burgelijke archieven van Zwartsluis is iets over de aanschaf van dit instrument te vinden. Wel wordt in een brief van de burgemeesters uit 1788 over een orgel gesproken. Deze brief betrof het antwoord op een door de Staten van Overijssel aan de bestuurders van Zwartsluis toegezonden klacht van een zekere Timmerman, die niet tevreden was geweest over de toewijzing van enkele vrouwenstoelen in de Zwartsluizer kerk. De burgemeesters schreven dan onder andere: "in den jare 1783 wierd er een nieuw orgel in de kerk... gemaakt; hiertoe wierde door een zekere Hollander vier en twintig ducatons gegeven, welke summa door ider burger na zijn vermogen met drie á vier ducatons vermeerdert wierde ..."

Over de bouwer noch over de hoeveelheid ingezameld geld is iets bekend. Wel maken de gemeenterekeningen van 5 november 1782 melding van een beloning voor de orgeltrapper Jan Kuiper. Hij zou per jaar vier gulden voor zijn werk krijgen. Deze post komt daarna jaarlijks voor. Misschien houdt ook een uitgave van elf gulden en zeven stuiver voor een zeil "booven de galderij" in september 1783, betaald aan Hendrik Koster, verband met het aanbrengen van een voorziening tegen schade aan het orgel door hemelwater. Aangezien Nock al na enkele jaren constateerde dat het instrument nodig aan herstel toe was, zal het orgel dat in 1782 kwam zeer waarschijnlijk uit de tweede hand afkomstig zijn. De juistheid van deze veronderstelling wordt nog versterkt als we bedenken, dat in 1793 de bekende orgelbouwer Rudolf Knol uit Hasselt de opdracht kreeg een nieuw orgel te bouwen. Het bedrag dat de burgemeesters van Zwartsluis voor dit nieuwe instrument uittrokken, beliep om en nabij twaalfhonderd gulden. Over de bouwen de feestelijke inwijding enkele jaren later deed de Boekzaal der Geleerde Waereld uitvoerig verslag. 

Op 13 december 1796 werd het orgel door C.Berghuis, organist en klokkenist in dienst van de stad Kampen, aan een nauwgezet onderzoek onderworpen en volkomen goedgekeurd. De bouw had al met al drie én half jaar in beslag genomen. Knol had "hetzelve met zeer veel vlijt en tot aller genoegen ... afgemaakt, maar echter door omstandigheden van den tijd en schroom van betaling der kosten, bij tijd en gelegenheid... moeten voltooien". Van het oude kabinetorgel gebruikte hij enkele houten pijpen, maar voor de metalen pijpen had hij nieuwe moeten maken.

Op 22 januari 1797 werd het orgel "plechtig ingewijd door eene daartoe geschikte leerreden, uitgesproken door ds. C. W. F. Hugenholtz, over psalm 9, de verzen 2 en 3: Ik zal U loven, Here, met mijn ganse hart; ik wil al Uw wonderen verhalen; In U wil ik mij verheugen en juichen; Uw naam psalmzingen, o Allerhoogste". De preek van dominee Hugenholtz werd voorafgegaan "van een zagt voorspel van gemelt orgel, gepaard met de stemmen van een talrijk zangkoor, bestaande uit jongelingen en jonge dochters; zingende uit de liederen van Rutger Schutte, beginnende met: 0, nachtegaal. .. ; hiertoe door den organist H. Lubbers onderwezen". Daarna zong de gemeente de psalmen 90 en 148. Na de "weIuitgewerkte predicatie (werd) door het choor aangeheven" een gezang uit Schutte's bundel: "Nu eens uit de borst gezongen... ; wordende vervolgens dezen Godsdienst met verrukkend spel en zang ten genoegen van alle hoorders geëindigd".

Dit orgel bezat de volgende stemmen: Praestant 8; Holpijp 8; Praestant 4; Fluit 4; Octaaf 4; Octaaf 2; Bourdon 16 (disc.); Sesquialter (2-3 st.); Ruischpijp (2 st.); bas Mixtuur (4-5 st.); Cimbel; Viola da Gamba 8 (disc.); Trompet 8.

Aan het eind van de vorige eeuw ontving de kerkvoogdij een klein legaat ten behoeve van de uitbreiding van het orgel. Op advies van de orgelbouwer J. Proper uit Kampen werd de Bourdon 16 uitgebreid naar de bas. Om ruimte te winnen voor conducten werd de Cimbel weggenomen. Tevens werd de orgelkast verbreed om ruimte te krijgen voor de grote houten pijpen. De toenmalige organist wist na de herinrichting van het orgel de kerkvoogdij ervan te overtuigen dat zijn werk zo zeer was verzwaard dat het noodzakelijk was zich door zijn zoon te laten assisteren. Uiteraard tegen een verhoging van zijn traktement.

In 1936 was het orgel aan restauratie toe. Een commissie van twee deskundigen bracht advies uit. Op grond hiervan werden de volgende veranderingen aangebracht. De Trompet werd vervangen door één van moderne makelij. De geschilderde halve dennestammetjes die orgelpijpen verbeeldden en waarmee Proper de aanbouw aan de frontzijde had voorzien werden vervangen door sprekende prestantpijpen, de laagste die tot dusver hadden ontbroken. Op verzoek van de organist werd de Bourdon ook bespeelbaar vanuit het pedaal. Een elektrische windinstallatie verving de drie oude spaanbalgen. In één daarvan stond met krijt geschreven: "Drei Balgen von gleiche Kraft sollen geben das Werk die Macht". Rudolf Knol 1797.

De kosten van de restauratie bedroegen ongeveer f 1.200,-. In 1974 werd het orgel opnieuw gerestaureerd en bij die gelegenheid werd de toestand van 1795 zoveel mogelijk hersteld, met behoud van een Bourdon 16 in de bas. Tijdens de werkzaamheden ontdekte men dat de twee voor gipsbeelden aangeziene figuren, die de zijtorens ondersteunden, in werkelijkheid van eikehout waren. Bovendien kwam men er achter dat zij oorspronkelijk onder de preekstoel hadden gestaan, waarheen zij nu verhuisden.

De correspondent van de Boekzaal besloot zijn verslag over de inwijding van het orgel met het uitspreken van de wens, dat "God, wiens Lof alle stemmen en speeltuigen dienen moeten, geve dat wij en onze nakomelingen zich lange in dit orgelgeluid, maar vooral zooals het tot Gods eer geschied, verblijden mogen". Dat de klanken van het mooie Zwartsluizer orgel ook nu nog in deze geest aangehoord mogen worden, is tevens mijn wens.

Uit het nagelaten manuscript van wijlen Gerrit Jan van Kalmeschate; bewerkt door Freek Pereboom.

Dit artikel is eerder gepubliceerd in het tijdschrift IJsselakademie 1991 nr. 2.

Reacties