Geplaatst door: 
Verhaal

Johannes Brinckerinck en de stichting van het Regularissenklooster Diepenveen in 1400

Auteur: 
Wybren Scheepsma

Op Sacramentsdag van het jaar 1400 riep pater Johannes Brinckerinck (1359-1419) de oudste zusters van het Meester-Geertshuis in Deventer bijeen. Hij had belangrijk nieuws. Vage plannen die al een aantal jaren in de lucht hingen, werden nu definitief: er zou in Diepenveen een nieuw zusterhuis worden gesticht. Om dat ideaal te verwezenlijken, had Brinckerinck de instemming en de medewerking van de zusters beslist nodig. De nieuwe stichting in Diepenveen zou namelijk worden opgezet als een dependance van het Meester-Geertshuis. Bovendien werden van de zusters concrete bijdragen verlangd. De stichting van een nieuw zusterhuis, waarvoor alleen nog maar een bouwterrein beschikbaar was, zou het uiterste van hun arbeidskracht en inventiviteit vergen.

Meester-Geertshuis

Het Meester-Geertshuis is in 1374 ontstaan. De Deventer patriciërszoon Geert Grote (1340-1384) bekeerde zich na een ernstig ziekbed en besloot zijn huis open te stellen voor alleenstaande vrouwen die geestelijk wilden leven. Hij behield een paar kamers voor eigen gebruik, die hij overigens lang niet altijd bewoonde. Grote trok in deze jaren namelijk predikend door de Nederlanden om de mensen op te roepen tot boete en bekering. Daarmee legde hij de basis voor de hervormingsbeweging die bekend zou worden als de 'Moderne Devotie'. Het naderhand naar hem genoemde MeesterGeertshuis is één van de eerste concrete resultaten van Grote's zendingsijver. In het huis van meester Geert was overigens geen plaats voor rijke dames of renteniersters. De bewoonsters waren verplicht om te werken voor hun levensonderhoud. Iedere zuster voerde verder haar eigen huishouden.

Na Grote's dood in 1384 heeft 'zijn' zusterhuis een lichte crisis doorgemaakt. De priester Johannes van den Gronde voerde het geestelijk bewind over het Meester-Geertshuis, maar dat ging hem niet zo goed af. Toen Van den Gronde in 1392 overleed, werd Johannes Brinckerinck als vervanger aangewezen. De vrome weduwe Zweder van Rechteren barstte spontaan in dankgebed uit toen ze het nieuws hoorde, want ze had grote verwachtingen van Brinckerinck. Geert Grote zelf had trouwens al een grote toekomst voor de godvrezende jongeman weggelegd gezien, die hem destijds op zijn preekreizen door Holland en het Oversticht had begeleid. 'Janneske, Janneske, wat zal er van jou worden " zou hij eens gezegd hebben. Brinckerinck was een overtuigde moderne devoot, maar zocht een tijdje naar zijn juiste bestemming binnen de beweging. De toewijzing van het Meester-Geertshuis aan hem bleek een meesterzet.

Brinckerinck ontpopte zich als een buitengewone organisator en een inspirerend geestelijk leider. Hij maakte het Meester-Geertshuis tot een hoeksteen van de Moderne Devotie, maar liet het daar niet bij. Binnen de kortste keren ontstonden er nog eens vier andere zusterhuizen in Deventer, die allemaal onder de hoede van Brinckerinck kwamen. Hij voerde overal het 'gemene leven' in, wat inhield dat de zusters al hun inkomsten in een gezamenlijke kas stortten, waaruit eenieder kreeg wat zij nodig had.

Brinckerinks vrouwenangst

Het schijnt dat Johannes Brinckerinck het begeleiden van vrouwen met angst en beven tegemoet heeft gezien. Naar goed middeleeuws gebruik zag hij in hen, dochters van Eva, de belichaming van het kwaad. De aanwezigheid van vrouwen vormde bovendien een permanente aanslag op de kuisheidsgelofte die hij als priester had afgelegd. Er bestaan verschillende anekdotes over Brinckerincks vrouwenangst. Hij probeerde bij de veelvuldige betrekkingen die hij noodgedwongen met de zusters onderhield, oogcontact zoveel mogelijk te vermijden. De overlevering wil dat sommige zusters uit het Meester-Geertshuis het gezicht van hun geestelijk leidsman voor het eerst te zien kregen toen hij in zijn kist lag. We dienen hier wel bedacht te zijn op hagiografische overdrijving. Bijna alles wat we over Brinckerinck weten, komt uit bronnen die uit de Moderne Devotie zelf zijn voortgekomen en die niet zo zeer de bedoeling hebben om historische feiten objectief weer te geven als wel navolgers te inspireren. Niettemin zullen deze anekdotes een kern van waarheid bevatten. Johannes Brinckerinck ontmoette in ieder geval weinig tegenstand bij de zusters van het Meester-Geertshuis. Slechts één zuster riep dat zij niet van plan was in een klooster te gaan leven. Brinckerinck riposteerde dat zij daarvoor ook niet in aanmerking kwam, omdat ze fysiek niet sterk genoeg was. Het kloosterleven, met zijn ijzeren ritme van zevenmaal daags het koorofficie bidden, vergde het uiterste van de zusters, met name omdat de gebedscyclus omstreeks middernacht begon en de slaap ervoor onderbroken moest worden. Dat men ook anderszins ontberingen moest kunnen doorstaan om in Diepenveen te leven, bleek algauw. De naam voor deze plaats was goed gekozen. Het terrein dat Brinckerinck op het oog had voor zijn klooster, was niet veel meer dan een moeras. Diepenveen was een nat én bosachtig stuk grond dat door het MeesterGeertshuis was gekocht om er de koeien te weiden. Wilde hier ooit een klooster verrijzen, dan moest er heel veel werk worden verzet.

De zusters van het Meester-Geertshuis leverden hier belangrijke inspanningen, samen met niet nader genoemde 'goede mensen', die blijkbaar vrijwillig meehielpen. Men groef een aantal greppels over het terrein waar het klooster gebouwd zou worden om het overtollige water te laten wegstromen. Daarna werden de greppels volgestort met aarde, die uiteraard van elders moest worden aangevoerd. Op sommige plaatsen werd het terrein met wel een manslengte opgehoogd. Toen het grondwerk gedaan was en het kloosterterrein bouwrijp was gemaakt, werden enkele primitieve gebouwtjes van gevlochten wilgentenen opgetrokken, die werden dichtgesmeerd met leem. Nu konden de eerste zusters komen.

Drie zusters van het Meester-Geertshuis werden naar Diepenveen uitgezonden: Hille Sonderlants, Griete Degens en Gese Bovinck. Ze vormden een zeer kleine gemeenschap, die ongeveer werkte als een zusterhuis en die onder leiding stond van zuster Hille. In de gewone zusterhuizen werd de arbeidstijd overwegend aan textielwerk als spinnen en weven besteed. Maar het laat zich begrijpen dat de jonge gemeenschap van Diepenveen, buiten de dagelijkse geestelijke oefeningen om, voornamelijk met bouwactiviteiten bezig was.

Toen korte tijd later Zweder van Rechteren, Jutte van Ahaus en Eefse Hudden aan de gemeenschap van Diepenveen werden toegevoegd, bracht de eerste ook een grote hoeveelheid timmergereedschap mee. Kort voor vertrek was ze met een mand aan haar arm naar de Deventer notabele Johan ter Poorten gegaan en had hem gevraagd die te vullen met spijkerboren, hamers, nijptangen, spijkers en wat dies meer zij.

Weduwen en rijke dames

De komst van Zweder van Rechteren naar het prille klooster van Diepenveen mag als een markante gebeurtenis worden beschouwd. In het zusterboek van  Diepenveen, waarin de geschiedenis van het klooster en zijn bewoonsters is vastgelegd, wordt ze doorgaans vol respect als 'de vrouwe van Ruinen' aangeduid. Zweder, afkomstig van het bekende kasteel Rechteren aan de Overijsselse Vecht, was kasteelvrouwe van het slot bij Ruinen in Drenthe geweest, waar ze een zeer werelds leven leidde. Zo placht ze op jachttochten dwars door de velden van arme boeren te rijden, en passant hun oogst vernielend. Toen haar man, de heer van Ruinen overleed, werd Zweder zelf opgejaagd. Concurrerende edelen uit de buurt waren uit op haar rijke bezit. Ze moest Ruinen ontvluchten en vond uiteindelijk een onderkomen in Deventer, bij de broeders van het gemene leven. Daar was onder anderen Johannes Brinckerinck haar geestelijk leidsman. Veel van het vermogen dat haar nog restte, schonk Zweder van Rechteren aan de jonge beweging van de Moderne Devotie. Ook Diepenveen profiteerde zeer van haar steun. Het is niet voor niets dat Zweder van Rechteren samen met Johannes Brinckerinck de stichter van Diepenveen wordt genoemd.

In Deventer sloot de voormalige vrouwe van Ruinen vriendschap met Jutte van Ahaus, voorheen abdis van het adellijk nonnenstift Vreden van Westfalen. Ook deze voorname dame wilde een leven van boete en vernedering in de geest van de Moderne Devotie aannemen en schaarde zich onder de leiding van Johannes Brinckerinck. Na enkele jaren voegde zich de Oldenzaalse weduwe Elsebe Hasenbroecks bij dit tweetal. Zij wilde zich na de dood van achtereenvolgens haar man Roelof, haar hondje en vier van haar vijf kinderen uit het wereldse leven terugtrekken. Ook Elsebe ging naar Deventer om zich bij de moderne devoten aan te sluiten. Haar enige nog levende kind, een jongetje van een jaar of zes, bleef goed verzorgd achter. Wat er van hem geworden is, is onbekend.

Een zusterhuis in Diepenveen

Diepenveen werd vooral gesticht met het oog op vrouwen als deze drie. De statuten van het Meester-Geertshuis stonden niet toe dat er rijke vrouwen of weduwen werden opgenomen. Maar zowel Brinckerinck als deze drie vrome vrouwen vonden dat ze in een geestelijke gemeenschap moesten worden ondergebracht. Daarom kreeg Diepenveen een andere juridische grondslag dan het Meester-Geertshuis, waardoor er ook plaats was voor kapitaalkrachtige vrouwen en weduwen zoals Zweder van Rechteren. Dat Diepenveen op termijn zou uitgroeien tot een klooster, lag wel voor de hand. Het onderbrengen van een dochter in een klooster was duur. De middeleeuwse vrouwenkloosters werden daarom overwegend bewoond door dames uit de hoogste standen, terwijl we in de zusterhuizen meestal vrouwen van wat geringere statuur aantreffen. Maar aanvankelijk volgde Diepenveen de 'gemene' leefwijze van het MeesterGeertshuis getrouw. Regelmatig kwamen er zusters uit Deventer naar Diepenveen en andersom, zodat de jongeren van de meer ervarenen konden leren wat het leven volgens de idealen van de Moderne Devotie inhield. Toch begonnen er na enige jaren spanningen te ontstaan tussen de beide stichtingen. Waar de opvattingen uiteenliepen, vertellen onze bronnen niet, behalve dan dat er verschillen van inzicht over de vroomheid waren. Misschien werd men in het Meester-Geertshuis wat jaloers omdat Diepenveen het moederhuis begon te overvleugelen?

Brinckerinck smoorde het conflict in de kiem door in 1407 beide stichtingen juridisch te scheiden. Het terrein waarop Diepenveen gebouwd was, was nog steeds bezit van het Meester-Geertshuis. Het werd nu geruild tegen een goed dat Zweder van  Rechteren aan Diepenveen beschikbaar stelde (zij overleed overigens in datzelfde jaar en zou de overgang naar de kloosterstaat niet meer meemaken). De onderlinge schulden werden verrekend, zodat Diepenveen zelfstandig de weg naar het kloosterleven in kon slaan. Of Johannes Brinckerinck van meet af aan van plan was om van Diepenveen een klooster te maken, is niet geheel zeker, maar wel waarschijnlijk.

Hoewel de Moderne Devotie is begonnen met broeder- en zusterhuizen van het gemene leven, die als het ware een tussenpositie innamen tussen de wereld en het klooster, had het monastieke leven een onmiskenbare aantrekkingskracht op de beweging. In 1383 al werd de grondslag gelegd voor het regulierenklooster in Windesheim bij Zwolle, dat al snel grote faam genoot en dat sinds 1398 aan het hoofd stond van een kloostervereniging, het Kapittel van Windesheim. Johannes Brinckerinck heeft eigenhandig meegeholpen bij de bouw van Windesheim en heeft ook serieus overwogen om er in te treden. Hij moet de stichting van een nonnenklooster hebben beschouwd als de kroon op zijn werk met de vrouwen van de Moderne Devotie.

Het klooster Diepenveen

In hetzelfde jaar 1407 kreeg Brinckerinck toestemming van de bisschop van Utrecht en de plaatselijke overheden van Deventer om in Diepenveen een klooster te stichten. Het zou worden gewijd aan Maria en aan Sint Agnes. Nu moest er op grote schaal gebouwd worden. Brinckerinck liet een tichelarij aanleggen waar van ter plaatse gedolven klei bakstenen werden gebakken. Daarmee konden de kerk, de slaapzaal, de eetzaal en andere gebouwen worden opgetrokken. Ook nu leverden de zusters wezenlijke bijdragen. De voormalige abdis Jutte van Ahaus bediende eigenhandig de vele bouwvakkers die op het terrein aan het werk waren. Ze was intussen zover verstorven dat ze, toen ze zag dat één van de werklieden een niet helemaal opgegeten haring weggooide, de vis opraapte en het nog eetbare gedeelte van de graat pluisde. Of deze anekdote nu op waarheid berust of niet, ze staat symbool voor de totale bekering die Jutte had doorgemaakt.

Een jaar later waren enkele kleinere gebouwen gereed, waaronder een kapelletje met een altaar voor de heilige Agnes. Men wilde niet wachten tot de grotere gebouwen stonden, maar besloot in 1408 een aantal zusters het habijt te laten aannemen en de kloostergemeenschap van Diepenveen te laten beginnen. Op de dag van Sint-Agnes (21 januari) was het zover: twaalf zusters werden ingekleed. Onder hen was Elsebe Hasenbroecks, die van 1408 tot 1441 als procuratrix het huishouden van het klooster zou regelen. Hille Sonderiants bleef als rectrix leiding geven aan het prille klooster. Het zou nog tot 1412 duren voor er een officiële priorin kon worden gekozen in de persoon van de befaamde Salome Sticken; toen ook had Diepenveen voldoende (financiële) basis om tot het Kapittel van Windesheim te kunnen worden toegelaten. Op 22 januari 1408 legde, op haar sterfbed, ook Jutte van Ahaus de kloostergelofte af. Een dag later overleed ze. Zo was ze op het nippertje toch nog een echte bruid van Christus geworden.

Gouden bomen

Het verging het nieuwe klooster bijzonder goed. In 1411 konden de kloosterkerk en de altaren worden gewijd. Er werd voortdurend gebouwd, wat vooral mogelijk was dankzij de zeer geslaagde fondsenwerving van Johannes Brinckerinck. Een collega-zielzorger mopperde eens jaloers dat pater Johan zeker een gouden boom bezat waaraan hij maar hoefde te schudden. Dat soort beeldspraak was aan Brinckerinck wel besteed. Hij merkte op dat hij inderdaad over gouden bomen beschikte: dat waren zijn heilige zusters, die een rijke vrucht aan deugden droegen en zo de basis legden voor het succes van Diepenveen. Hij had natuurlijk gelijk: gulle gevers zouden Diepenveen niet zo rijkelijk hebben bedeeld als de zusters niet heilig leefden.

Johannes Brinckerinck bouwde zijn levenswerk met grote voortvarendheid verder uit. Zodra het kon, zond hij Diepenveense zusters uit om nieuwe vrouwenkloosters te helpen opzetten of het geestelijk leven in bestaande huizen te verbeteren. Uiteindelijk werden maar liefst zeventien kloosters, van Friesland tot Brabant en van Holland tot Saksen, op Diepenveense leest geschoeid. Toen hij in 1419 stierf, liet Johannes Brinckerinck een bloeiend klooster na, dat zich krachtig bleef ontwikkelen. Omstreeks 1450 telde het meer dan honderd nonnen.

De vroomheid van Brinckerincks geesteskind Diepenveen werd bijna spreekwoordelijk, in ieder geval binnen de beweging van de Moderne Devotie. Toen Dirk van der Wiel in 1467 het fraterhuis in Emmerik stichtte, naar het model van de Deventer broederstichting, noemde hij zijn eigen cel daarin veelbetekenend 'Diepenveen'.

Dit artikel is eerder gepubliceerd in het tijdschrift IJsselakademie 2000 nr. 1

 

Reacties