Geplaatst door: 
Verhaal

Het leven op de steenfabriek bij De Zande - Een fragment uit de kroniek van de familie Kamp

Auteur: 
D.A. Klumpje

Wie over de rivierdijk vanaf De Zande richting Zalk loopt, ziet na ongeveer tien minuten een buitendijks gelegen arbeiderswoning opdoemen. Het huisje ligt in de zomer verscholen achter het lover van bomen en heesters; het is afgedekt met een naar alle zijden overhangend rieten dak. Dichterbij gekomen waant men zich aan het einde van de 19de eeuw, toen het huisje hoorde bij de steenfabriek van Ten Kate. Deze woonde aan de La Sablonièrekade in Kampen.

De dijkjes die om het voormalige tichelwerk heen liggen, maken de sfeer nog intiemer. Zo rustig als het er nu is, zo druk was het er vroeger. Niets herinnert nog aan het zwoegen en zweten in weer en wind, niet alleen van mannen en vrouwen, maar ook van kinderen. Jannes Kamp, later woonachtig in Minneapolis in de Verenigde Staten, heeft de steenfabriek in zijn jeugd in volle glorie zien werken. Hij werd hier geboren. Toen hij in 1962 met vakantie in Nederland was, bracht hij een bezoek aan zijn ouderlijk huis en stond daar enige tijd stilletjes in gepeins verzonken op de voormalige loswal. 

Wat nu volgt, is grotendeels ontleend aan zijn herinneringen

Het huis bij de steenfabriek werd aan het einde van de 19de eeuw bewoond door vier gezinnen; van twee zijn de namen niet bekend. In de aan de dijk grenzende helft woonde het gezin van baas Willem van Dijk; de andere helft herbergde het echtpaar Jan en Gezina (Siene) Kamp en enkele kinderen. De ruimte tussen de beide woongedeelten werd door Ten Kate als kantoor gebruikt. Verder waren er nog de paardenstallen.

Jan Kamp had bij de steenfabriek een tweeledige taak: hij was onderbaas en voerman op de steenwagen met het grote trekpaard. De personeelsbezetting van een stoomsteenfabriek wisselde met de seizoenen. In de fabriek aan de Zalkerdijk, met twee veldovens, werkten in het tichelseizoen ongeveer vijftig personen. Omstreeks de maand september liep de massaproductie van stenen ten einde en werden de meeste arbeiders ontslagen. Een vaste groep arbeiders bleef evenwel in dienst om de reguliere productie voort te zetten. Zij stookten de ovens, kruiden de gebakken tegels naar het tasveld en laadden of losten schepen, klei- en steenwagens. Ongeveer vijftien man was belast met het kleischieten op de aan de fabriek toegewezen grond. In de drukste tijd van het jaar kon men voor het werk in de fabriek beschikken over arbeiders uit Wapenveld, die dan de hele week in de kost bleven. Ze sliepen 's nachts op de hilde, het zoldertje boven de paardenstal.

De steenfabriek - bestaande uit de veldovens, het huis voor de vier gezinnen, het kantoor, de stallen en de logiesruimte voor de seizoenarbeiders - werd vermoedelijk gebouwd omstreeks 1885. Het bedrijf betrok klei uit een aan de binnenzijde van de dijk gelegen stuk land, de Toethoorn genaamd. In 1912 ging de grote boerderij van de familie Van Oort na een blikseminslag in vlammen op. Deze boerderij lag aan de binnenzijde van de dijk, op nog geen honderd meter ten zuidwesten van de turfvoorraad van de fabriek. De omwonenden werden door het blussen van de brand zo in beslag genomen, dat niemand merkte dat vonken de voorraad turf van de fabriek in brand zetten. Bovendien was in het jaar 1914 het veld uitgeput en moest klei uit Wilsum worden aangevoerd. De transportkosten drukten zwaar op de winstgevendheid van de fabriek. Meneer Ten Kate was inmiddels op leeftijd gekomen en had als ongehuwde geen opvolger. Nu er geen klei en ook geen brandstof meer was, werd besloten het bedrijf te beëindigen. De fabriek werd afgebroken en het woonhuis verkocht. Het terrein kreeg een andere bestemming; de vroegere bazen gingen zich toeleggen op de landbouw. Met name de Welle leverde de befaamde Zalker aardappelen.

De familie Kamp

Jan Kamp en zijn vrouw Gezina waren afkomstig uit Hattem. Zij behoorden tot de Christelijk Gereformeerde Kerk. Op 6 november 1874 traden zij in het huwelijk. Hun eerste kind, een meisje, werd op 17 april 1876 levenloos geboren. Het gezin werd later gezegend met de geboorte van zes zonen en twee dochters; één meisje werd maar een jaar oud. Zoals toen de gewoonte was, legde men de kleine Willemina voordat ze werd gekist in de onderste lade van het grote kabinet.

Voor dag en dauw stond moeder Siene op voor het verrichten van haar dagelijkse werk. Van haar werd verwacht dat 's morgens alles klaar stond voor Jan en de schoolgaande kinderen Jannes en Mina. Eerst werd het vierpits petroleumtoestel aangestoken. Als het winter was, moest ook het fornuis worden aangemaakt.

Daarvoor was hout nodig en wat losse turf. Daar ging een scheutje petroleum overheen en dan de brand erin. Als het vuur éénmaal goed brandde, kwamen er baggelaars bij op. De pomp knerpte en piepte als de slinger op en neer werd bewogen voor het vullen van de waterketel; het geluid ging soms door merg en been. "Jan!", klonk het dan tussen het klotsen van het water door, "je mag 'm wel ies smeer'n!" Jan was inmiddels opgestaan en trok zijn broek over zijn gestreepte onderbroek. Er was stevige kost nodig voor de werkers op de oven, en ook voor de schoolgaande kinderen. Niets was beter dan een stevig bord pap met daarin roggebrood en een lepel stroop. De maaltijd werd voorafgegaan door het Onze Vader, terwijl vaders gevouwen handen op de tafel rustten. Na het lezen van een blaadje van de Maranathakalender of een kapittel uit de Schrift door Siene -Jan kon dat niet -, ging vader voor in gebed. Dikwijls werd het besloten met de indrukwekkende woorden: "Wij zijn nog minder dan een druppel aan den emmer en als een stofken aan de weegschaal, en wij hebben hier geen blijvende stad, maar zoeken de toekomende". Na het ontbijt werden de knapzakken en broodtrommels gevuld met roggebrood met spek of smolt (varkensvet), met daartussen een sneetje witbrood; een dubbele bruine boterham met kaas en na de zondag soms ook een overgebleven krentenplakje of -kapje.

Zodra man en kinderen waren vertrokken, ging moeder aan de schoonmaak en werden de voorbereidingen getroffen voor de middagschaft. Het bedrijf had geen kantine; dit betekende dat er werd gegeten in de kamer van de familie Kamp. Er werkten zoals gezegd zo'n twintig man op en nabij de oven, die natuurlijk niet allemaal tegelijkertijd konden schaften. Voordat de arbeiders de kamer binnengingen, deden ze in het portaal hun klompen uit. Om hun eigen schoeisel te kunnen herkennen, hadden de meesten er één of ander merkteken ingebrand. Weldra was Siene druk in de weer met de grote geëmailleerde ketel en werden de kommen gevuld met dampende koffie. Wat rook het dan lekker naar Tik-tak koffie! Nu gingen de knapzakken open, en na even achter de pet te hebben gekeken, werd het meegebrachte snel verorberd. Daarna vulden de rokers hun pijp en spoedig werd de koffielucht verdreven door blauwe rook. Zij die niet rookten, pruimden doorgaans wel. Uit hun puntzak namen zij tussen duim en wijsvinger de gewenste hoeveelheid gekerfde pruimtabak en stopten die met een glunderende blik achter een kies. Ook in dit gezelschap mannen waren er meerdere die geen tand meer in hun mond hadden staan. Bij het verlaten van de kamer werd het overtollige tabaksnat met een welgemikte straal in de klaarstaande kwispedoor gesist.

Om half vijf kwamen de kinderen uit school en werd het tijd voor het avondeten. Dan moest Jannes de aardappels schillen en maakte Mina de groente schoon. Vader was niet altijd vroeg thuis; als hij een vracht stenen weg moest brengen naar bijvoorbeeld Nunspeet, was het vaak al donker eer hij terug was. Dan zag je de slingerende lichten van de wagen steeds duidelijker dichterbij komen, en als het buiten erg stil was, en de wind stond gunstig, hoorde je al van verre het driftig klepperen van de paardenhoeven op de klinkers van de Kamperstraatweg.

Op de lange winteravonden, als er op de fabriek nauwelijks gewerkt kon worden, werd na het eten een groot matraam in de kamer gezet waarop biezenmatten werden gevlochten voor eigen gebruik en voor de verkoop. ’s Zomers zaten de gezinnen Van Dijk en Kamp ’s avonds tegen de muur van het huis. De mannen rookten een Gouds pijpje of een met Sinterklaas gekregen doorroker, waarop na enige tijd een vriendelijk tafereeltje verscheen, zoals een hertenkop of een koe. De vrouwen breiden en schonken koffie. Vaak gebeurde het dat de buren, die een ommetje maakten, bovenaan de dijk bleven staan voor een praatje. Na korte tijd voegden ze zich bij de bewoners. De vrouwen praatten over de marskramer en de kwaliteit van de spulletjes die hij op zijn rug meebracht: textiel, garen, elastiek, band, knopen, haken en ogen. Soms was er ook een goochelaar langs geweest of een man met een houten been, die een paar aapjes bij zich had die hij kunstjes liet vertonen. Het aardigst werd de man gevonden die met zijn buikorgeltje langs de boerderijen trok. Zo kon het erg gezellig zijn bij de Tichelfabriek aan de Zalkerdijk.

Zoetjesaan werd het tijd om de kooi op te zoeken en na een "Welterusten!" loste het gezelschap zich op. De bezoekers waren algauw niet meer te onderscheiden in de opkomende avondnevel. Toch werd het niet stiller buiten, want nu hieven de kikkers hun koor aan, en wat verderop klonk het vertrouwde geluid van de roerdomp. De nacht duurde tot de veldleeuwerik in golvende vlucht omhoogklom om, in bidstand, de opkomende zon te begroeten met jubelende, trillende zang.

Kerk en school

Jan Kamp en zijn vrouw Gezina van Ommen waren lidmaten van de Afgescheiden gemeente in Hattem. Het gezin ging na de Doleantie naar de kerk in Zalk; elke zondag moest dus een flink aantal kilometers worden afgelegd. Vader en moeder mochten soms met een voorbijganger meerijden in een tentwagen of tilbury, maar Jannes en Mina gingen altijd te voet. Dat betekende nu eens lopen over een stoffige dijk bij zomerse hitte, dan weer het al glijdend voortgaan in winterse kou. De mensen moesten zo hard werken, dat menigeen tijdens de preek in slaap viel. In de kerkzaal was het 's zomers vaak ondragelijk heet vanwege onvoldoende ventilatie, en in de winter werd het er nooit warm genoeg, omdat de grote Salamanderkachel niet genoeg capaciteit had.

Op twaalfjarige leeftijd gingen de kinderen naar catechisatie. Als leerboek werd gebruik gemaakt van De Bijbelse geschiedenis ten dienste van het Catechetisch onderwijs van J.H. Donner. Dit boekje bevatte 39 lessen over het Oude Testament en 35 over het Nieuwe. De zondagsschool in Zalk werd geleid door Jan-oom van Ommen, een broer van moeder Kamp.

Jan-oom kon goed orde houden. Zijn kerstfeesten waren een echt hoogtepunt. Er werd chocolademelk geschonken in de meegebrachte bekers. Na het kerstverhaal deed Jan-oom een vrije vertelling, en het feest werd afgesloten met de uitreiking van een mooi leesboek, uitgegeven bij Callenbach in Nijkerk. Het ging om titels als De droom van een monnik, of Luthers vriend en Ouwe Bram. Voorin stond de naam van de eigenaar en het jaar van uitreiking vermeld; zij die het langst op de zondagsschool waren, kregen het dikste boek.

Voor moeder Siene was het steeds de grote vraag of ook zij zich mocht rekenen tot het getal der uitverkorenen dat eens de nieuwe aarde bewonen zal. Die vraag werd nog klemmender toen zij in aanraking kwam met een vrouw uit Kampen. Als de kinderen haar zagen aankomen, maakten ze dat ze wegkwamen. De bevindelijke ziel lag het woord waarheid in de mond bestorven. De beloften Gods werden door de bezoekster in zo'n gesprek steeds voorgesteld als twijfelachtige toezeggingen. Aan de genade kon een mens pas deel krijgen na volledige bekering. Algauw lieten de vrouwen hun tranen de vrije loop, en Siene moest ze voortdurend drogen met de tip van haar slonde (schort). Er hing dan vaak een sfeer van benauwenis in de kamer. De bezoeken hielden op toen de vrouw ziek werd en korte tijd later overleed. Moeder Siene was nu niet langer ten prooi aan twijfels over Gods genade.

Naar de nieuwe wereld

Jannes was altijd al een avontuurlijke jongen, die graag door de velden zwierf. Hij werkte als knecht op de boerderij van Van Ittersum op het Kampereiland. Zo nu en dan werd er over een mogelijke reis naar Amerika gesproken. Jannes voelde er niet voor om boerenknecht te blijven, en tenslotte besloot hij om naar de Verenigde Staten te trekken. Familieleden probeerden hem het plan uit het hoofd te praten, maar tevergeefs.

Op een avond in 1912 werden de laatste voorbereidingen getroffen voor de reis. De spullen die mee moesten waren gauw bijeengebracht. De knapzak werd voor de laatste maal door moeder gevuld; daarna werden de lichten gedoofd en zocht iedereen zijn slaapplaats op.

Vroeg in de ochtend - het was nog donker – stonden vader, moeder en Jannes op. Vlug werd nog wat gegeten, waarna vader voorging in gebed. Toen was het ogenblik van het afscheid aangebroken. Er werd niet veel gezegd: een handdruk en een goede wens, daarna viel de deur dicht en klonken Jannes' voetstappen op het straatje en het grind van de weg. Toen hij over de dijk ging, bewoog zich langs de voet van de dijk de gestalte van een man van middelbare leeftijd. Hij had moeite om het tempo bij te houden en struikelde zo nu en dan over een molshoop. Dit ging zo door tot bij café de Koelucht, bij de splitsing van de Kamperstraatweg en de Zalkerdijk. Daar zag vader - want hij was het – zijn zoon Jannes in de ochtendnevels verdwijnen.

Sergeant Jannes Kamp

Het duurde weken voor de eerste kaart uit Amerika werd ontvangen, met daarop een afbeelding van het schip waarmee Jannes de reis had gemaakt. Na twee jaar had hij zoveel geld gespaard dat hij naar Nederland kon. Nog nauwelijks thuis in de woning van zijn ouders, die inmiddels naar Kampen waren verhuisd, werd er voor Jannes een aangetekende brief bezorgd met een bevel tot opkomst in werkelijke dienst. De Eerste Wereldoorlog was uitgebroken. Onder druk van zijn ouders gaf hij gehoor aan de oproep. Hij bracht het tot sergeant, wat in die tijd lang niet iedereen lukte. Tijdens zijn verblijf in Naarden/Bussum werd hij ingekwartierd bij de familie Van Zanten. Deze had een dochter, Francien, met wie hij in 1918 trouwde.

Behalve in Naarden was Jannes lange tijd gelegerd in Vlissingen, waar hij een appartement huurde. Hij had zijn eigenlijke werk in Zeeuws-Vlaanderen. Hier waren Fransen en Belgen geïnterneerd, van wie hij een aardig mondje Frans leerde spreken. In 1919 gingen de gedachten weer uit naar het verre Amerika.

Tijdens een logeerpartij bij de ouders in Kampen maakte Jannes kennis met Willem van der Weert, die geld wilde beleggen in een boerderij in Iowa. Het afscheid volgde spoedig. Alleen Mina zou hem terugzien. Het boerenbedrijf in Iowa kwam niet van de grond. Erger was dat Francien heimwee kreeg. Om die reden besloten haar ouders met een aantal kinderen naar Amerika te gaan. Jannes en Francien kregen drie zonen en twee dochters. Toen de moeilijke jaren aanhielden en de economische crisis bleef doorzetten, besloot Jannes zijn bedrijf van de hand te doen en te gaan werken bij de autofabrieken van Ford in Detroit. Dat heeft hij 24 jaar volgehouden. Het gezin vestigde zich in Dearborn.

*Dit artikel, van D.A. Klumpje, is eerder gepubliceerd in het tijdschrift IJsselakademie nr. 1, maart 1998.

Reacties