Geplaatst door: 
Verhaal

Het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 voor Kampen en IJsselmuiden.

Auteur: 
Jan Klein

Katholiek Kampen en IJsselmuiden 1853-1863

Wat waren de gevolgen van het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 voor Kampen en IJselmuiden? Om die vraag te kunnen beantwoorden moeten we eerst een beeld hebben van de feitelijke situatie ten tijde van het herstel.

In Kampen bestonden twee staties, de Franciscusstatie en de Nicolaasstatie. Beide hadden een eigen schuilkerk. De Onze Lieve Vrouwe Kerk was de gemeenschappelijke "Zondagskerk". Daarnaast waren er de volgende Katholiek-sociale instellingen: het weeshuis, dat geheel onafhankelijk van het Katholieke kerkbestuur was; een Armbestuur; een Vincentiusvereniging en vijf broederschappen.

In IJsselmuiden vinden we slechts één katholieke instelling, een slecht functionerend Armbestuur. Nu niet direct een teken van een bloeiend katholicisme. Dit alles werd echter drie jaar na 1853 anders. In 1856 besloot Aartsbisschop Johannes Zwijssen in zowel Kampen als in IJsselmuiden een afzonderlijke parochie op te richten: de Parochie van Onze Lieve Vrouwe Onbevlekte Ontvangenis der Heilige Moeder Gods te IJsselmuiden. Iedere parochie kreeg een eigen kerkbestuur.

De geestelijke verzorging van beide parochies werd aanvankelijk opgedragen aan de heer H.A. van den Nieuwentap, pastoor te Kampen. IJsselmuiden kreeg pas in november 1858 een eigen pastoor, de heer W.J. Vinke. Na de officiële oprichting van de parochies, was er voor de kersverse kerkbesturen veel "werk aan de winkel". De twee voormalige staties werden opgeheven. Gevolg hiervan: ruzie over de afdracht van de goederen en gespannen toestanden tussen de leden van de voormalige staties. En alsof dit nog niet genoeg was deden drie Kamper kerkmeesters nogal moeilijk. Ze lagen dwars over het traktement van de koster. Ook waren ze boos over de komst van een parochie in IJsselmuiden en werkten de komst daarvan tegen. Ze gingen hierin nogal ver. Ze beschuldigden W.J. Vinke zelfs van "kwaadsprekerij". AI met al geen grond om vruchten van te verwachten.

Naar aanleiding van een visitatiebezoek schreef de Deken hierover aan de Aartsbisschop. Hij was niet tevreden over de toestand in Kampen, maar "de zaak was niet hopeloos". De drie "boze" kerkmeesters werden ontslagen en er werden drie andere benoemd per 1 januari 1860. Anderhalf jaar later werd de "oude en ziekelijke" pastoor  Nieuwentap vervangen door de heer H.H. Nieuwenhuis, een energieke jongeman. Aan de aaneenschakeling van moeilijkheden kwam een eind. Ook op sociaal gebied ging het beter. Het Armbestuur ging naar behoren functioneren. Er kwamen vier nieuwe broederschappen bij.

Een uiting van bloei van het katholieke leven en toenemende betrokkenheid van de parochianen. Als klap op de vuurpijl gold echter de komst van het gesticht van de Zusters der Liefde, voor het grootste gedeelte een particulier initiatief van een van de parochianen. Het gesticht was bedoeld voor de opvang van kleuters, eerst uit de burgerij, later ook uit de lagere klassen. Er werd in dit gesticht door de Zusters ook naai- en brei-onderwijs gegeven. Een echte rooms-katholieke school kwam er pas in 1868 in Kampen. In IJsselmuiden was de situatie wel even anders. Hier was zoals gezegd in 1856 geen parochie, geen kerk, geen pastoor, kortom, geen georganiseerd rooms-katholiek leven. Toen het schrijven van de Aartsbisschop in IJsselmuiden aankwam moest er dan ook hard worden gewerkt om de plannen in feiten om te zetten. Er werd besloten tot kerkbouw. Om dit te bekostigen werden de goederen van de voormalige staties tussen Kampen en IJsselmuiden verdeeld en werd er geld ingezameld. De verdeling van de statiegoederen wekte groot ongenoegen bij het Kamper Kerkbestuur. Pas na veel touwtrekken, dreigen, schrijven en herschrijven werden de moeilijkheden opgelost. Hierna kon met de kerkbouw worden begonnen. Op 26 januari 1860 werd de kerk ingewijd. Het ontstaan van een zelfstandige en bloeiende geloofsgemeenschap kenmerkte het katholieke leven in IJsselmuiden na 1860 zowel op kerkelijk als sociaal terrein.

Naast het Armbestuur, dat nu doelmatiger ging werken, kwam er een weesbestuur en er werden drie broederschappen opgericht. De verhouding tussen de Kamper en IJsselmuider parochies die in de beginjaren erg slecht was geweest, werd beter. Het katholieke samenleven kwam in beide parochies tot uiting in het bijwonen van de diensten, zowel 's zondags als door de week, in het gezamenlijk verzorgen van de armen en wezen en in het lid zijn van de broederschappen.

In de beginjaren werkten de protestanten de rooms-katholieken zo nu en dan tegen. Het bleef echter bij "prikacties" van de zijde van de overheid. Tot massaal verzet van de protestantse bevolking kwam het niet. In het algemeen kan men dan ook stellen dat de onrust die het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie onder de katholieken in Kampen en IJsselmuiden heeft teweeggebracht, groter was dan de onrust onder de protestanten. Of de Aartsbisschop dat had voorzien, valt te betwijfelen ....

Dit artikel is eerder gepubliceerd in het tijdschrift IJsselakademie 1987, nr. 3.

Reacties