Geplaatst door: 
Verhaal

Een koffiehuishouder te Almelo

Op 12 september 1833 vond te Stad Almelo het huwelijk plaats tussen Lambertus Vredebregt en Gerritdina Grimberg. Alvorens deze gebeurtenis een feit was, had er zich wel het een en ander afgespeeld.

 

 

Gerritdina Grimberg was een dochter van Jan Hendrik Wanschers en Regina Slaghuis. In de Hervormde kerk van Almelo was zij gedoopt op 30 oktober 1811. Haar vader nam in 1812 voor zich en zijn familie de achternaam Grimberg aan. Echter reeds op 30-jarige leeftijd overleed Jan Hendrik in 1816 te Almelo aan de Vriezenveensedijk. Toen dochter Gerritdina haar moeder echter om toestemming vroeg te mogen trouwen, weigerde deze dit. Tot driemaal toe liet de dochter nu, middels notaris Warnaars, nogmaals om toestemming tot het huwelijk verzoeken, hetgeen steeds negatief beantwoord werd en waarbij de moeder verklaarde aan haar dochter te hebben “medegedeeld de gewigtige redenen, die haar bewogen hebben om tot de hier bedoelde echtverbintenis haar toestemming te weigeren”. Desondanks werd er toch getrouwd.

 

 

De bruidegom, Lambertus Vredebregt, was 23 jaar oud, lang, blond en met blauwe ogen, woonde sinds meer dan een jaar in Stad Almelo. Van beroep was hij brandersknecht en afkomstig uit Schiedam. In die Hollandse stad was hij geboren en in de rooms-katholieke kerk aldaar gedoopt op 22 februari 1810 als zoon van Lambertus Vredebregt en Cornelia Zuidwijk. Zijn vader had hij reeds op 10-jarige leeftijd moeten missen; zijn moeder gaf schriftelijk toestemming tot het huwelijk.

 

 

De familie Vredenbregt of Vredebrecht ontleende zijn naam aan het erve Fredebrecht in de buurschap Kerssenbrock te Wellingholzhausen bij Osnabrück. Dit volgewaarde erve wordt reeds rond 1200 vermeld als Vredebrachtinc, horig aan de abdij Herfort. In het begin van de 16e eeuw hadden de bezitters van het erve Fredebrecht (Frodebracht, Frerbrecht) een timmerwerkplaats, waar Lambertus' zoon Lambertus Antonius zijn vak geleerd had. Deze zoon huwde in 1866 met de uit Bentheim afkomstige Anna Maria Magdalena Mester, maar hij stierf reeds in 1873, haar met vier dochtertjes achterlatende.

 

 

In de 18e eeuw woonde op het erf Johann Caspar Friedbrecht en zijn vrouw Catharina Elisabeth Eerdmann. Twee van hun zonen, Lambertus en David, trokken rond 1738 van Wellingholzhausen naar Schiedam waar ze werk vonden als brandersknecht bij één van de vele jeneverstokerijen in die stad. Lambertus Vredebrecht huwde in 1740 met Jacomina Marvé, wier in 1761 geboren zoon Lambertus later de grootvader was van de bruidegom van 1833.

Ook deze laatste Lambertus Vredebregt had bij zijn komst te Stad Almelo werk gevonden bij de jeneverstokerij als brandersknecht. Mogelijk was hij daar blijven steken op weg naar zijn familie in Duitsland. Het eerste kind uit het huwelijk Vredebregt-Grimberg werd geboren te Stad Almelo op 25 juni 1834 en werd Lambertus Everhardus genoemd. Deze zou onder de naam Albertus vijf jaar later overlijden. Ook veel van de andere kinderen zouden niet oud worden; slechts vier werden volwassen. De oudste daarvan was de dochter Cornelia Francisca, die in 1876 te Oldenzaal huwde met Gerardus Heerink. Een andere dochter, Johanna Willemina, vertrok later naar Zwolle. Verder waren er de zonen Lambertus en Theodorus.

 

 

Op den duur begon Lambertus Vredebregt voor zich zelf en komt hij dan ook voor als tapper en koffiehuishouder. In 1865 kocht hij enige onroerende goederen, waaronder een huis aan de Kloosterweg', welke goederen hij onder hypothecair verband bracht ten behoeve van Anna Hermanna ten Bruggencate.

In 1879 moest de koffiehuisbaas Lambertus Vredebregt zijn vrouw Gerritdina Grimberg door de dood verliezen. Vermoedelijk nam hun zoon Theodorus toen langzamerhand de zaak over.

Een voorspel daarop was waarschijnlijk reeds de verkoop door Vredebregt van enig onroerend goed in september 1880, hetgeen f 1.300,- opbracht. Ook maakte hij op diezelfde dag een testament ten gunste van zijn zoon Theodorus.

 

 

Enige dagen later, op 13 september 1880, trad deze Theodoor te Losser in het huwelijk met Maria Willemina Elisabeth Scheper. Zij was te Oldenzaal geboren als dochter van de winkelier Bernardus Scheper en Lamberdina Maria Bodenstaff. Met de opbrengst van de zo-even genoemde verkoop kocht Lambertus Vredebregt zich in bij zijn zoon Theodorus. Hiervoor werd een akte van alimentatie, of ook wel contract van lijfrente genoemd, opgemaakt. Daarbij werd bepaald dat de vader zijn zoon al zijn geld gaf, waartegenover Theodorus de rest van zijn vaders leven voor hem zou zorgen en kleding, voedsel en onderdak verschaffen. Destijds kwamen dergelijke contracten veel voor, het was een vorm van oudedagverzorging, die heel gebruikelijk was. Alleen in een meer stedelijke samenleving kende men oude mannen- en vrouwentehuizen, die echter meestal een diaconaal karakter hadden.

Lang heeft Lambertus Vredebregt niet van zijn rust genoten: op 3 februari 1883 overleed hij, nog geen 73 jaar oud. Slechts f 20,- liet hij na, terwijl de begrafeniskosten f 150,- hadden bedragen.

Theodorus Vredebregt en zijn vrouw Anna kregen verschillende kinderen, waarvan er eveneens een aantal vroegtijdig stierven. Of er echter nog nageslacht van hen in leven is, is mij niet bekend. Bij de volkstelling van 1947 kwam de naam Vredebregt niet meer in Overijssel voor.

 

Dit artikel, van de hand van de heer A.J. Gevers, is eerder verschenen in het tijdschrift IJsselakademie nr. 3 september 1982.

Reacties