Geplaatst door: 
Verhaal

Een Joodse gemeente in opspraak: Blokzijl 1807-1813

Auteur: 
J.F. Berkhout

Aan het einde van de achttiende eeuw breidde de kleine Joodse gemeenschap te Blokzijl zich gestaag uit. Haar omvang was nog steeds bescheiden te noemen toen in 1791 de Joodse koopman Alexander Jacobs een ruimte beschikbaar stelde om als synagoge gebruikt te worden. De volkstelling van 1795 geeft enig idee hoeveel  Joden van deze synagoge gebruik konden maken. In dat jaar werden in Blokzijl en Vollenhove tenminste tien mannelijke personen, ouder dan dertien jaar, geteld die tezamen het minjam vormden, een vereist getal voor het houden van een Joodse Godsdienstplechtigheid.

De kiem van het conflict dat spoedig de Joodse en niet Joodse bewoners en gezagdragers zou beroeren lag in het feit, dat Alexander Jacobs de synagoge als zijn privé bezit beschouwde. Ook de vrijwillige giften die hij ten behoeve van de synagoge en de armen ontving, besteedde hij naar eigen inzicht. Deze handelwijze werd in 1807 bekritiseerd door Levy van Esso, die zich sinds kort in Blokzijl gevestigd had. Hij trad op als woordvoerder van een deel van de in totaal 31 gemeenteleden. Zij verlangden van Alexander Jacobs rekening en verantwoording. Toen Alexander Jacobs dit weigerde, stichtten de ontevredenen een eigen gemeente, hetgeen er op duidt dat de gemoederen zeer verhit waren geraakt. Het zal duidelijk zijn dat de verhoudingen in een kleine gemeenschap als de Joodse met het voortduren van het conflict een dieptepunt bereikten. Toen in 1809 koning Lodewijk Napoleon Blokzijl bezocht, beklaagden afgevaardigden van de jongste gemeente zich bij de koning over de ontstane situatie. De vorst bestempelde deze als ongewenst en belastte het Opper Consistorie met de samenvoeging van de beide gemeenten. In mei 1809 slaagde dit college erin een compromis tussen de beide groeperingen te bewerkstelligen. Het compromis behelsde de samensmelting van de twee  gemeenten met aan het hoofd een tweetal directeuren: van elke gemeente een. Deze functie oefenden zij echter niet gelijktijdig uit. Gedurende een periode van een maand trad een van hen als zogenaamd 'fungerend directeur' op, de ander hield zich dan op de achtergrond, totdat zijn periode om als directeur op te treden was aangebroken.

Deze constructie voldeed echter niet. De personele bezetting van beide functies werkte dat ook in de hand. Een zoon van de kort na de fusie overleden Alexander Jacobs, Isaac Alexander Jacobs, kon het als directeur maar slecht vinden met zijn nieuwe collega Levy van Esso.

Om te bewijzen, dat de diepgaande meningsverschillen en antipathieën zich niet zo gemakkelijk lieten gladstrijken, klaagde op 28 augustus 1809 een groot aantal gemeenteleden bij het Opper Consistorie over directeur Van Esso. Zeer ongaarne zag het Opper Consistorie zich genoodzaakt Levy van Esso te ontslaan. Toen kort daarna de ex-directeur weigerde rekening en verantwoording af te leggen,  ontstonden er nieuwe twisten. Tot zijn opvolger werd benoemd Solomon Josephs en het is niet zeker of deze directeur tot de groepering van Levy van Esso behoorde.

Maar ook deze mannen zouden niet lang met elkaar samenwerken. In maart 1810 werden lsaac Alexander Jacobs en Solomon Josephs op hun eigen verzoek door het Opper Consistorie van hun functie ontheven. Tot nieuwe directeuren werden benoemd Hartog Alexander Jacobs (ook een zoon van Alexander Jacobs) en wederom Solomon Josephs. En op 11 december 1810 verleende het Opper Consistorie andermaal op diens eigen verzoek ontslag aan Hartog Alexander Jacobs. In zijn plaats benoemde men Jacob van Meppel.

Solomon Josephs bleef ditmaal in functie. Naar het waarom van deze wisselingen moeten we raden. De sfeer binnen de gemeente verbeterde in ieder geval niet. Het Opper Consistorie ging zelfs zo ver de minister van Binnenlandse Zaken te adviseren de Joodse Gemeente te Blokzijl op te heffen om op die manier aan de 'zo lastige als walgelijke geschillen' een einde te maken. De minister volgde dit advies niet op en zo moest het Opper Consistorie lijdelijk toezien hoe de interne strijd voortduurde.

De nieuwe directeur Jacob van Meppel kwam al spoedig na zijn benoeming in het centrum van de twisten te staan. De koster, Moses Abraham, liet zich eind december op laatdunkende wijze, tijdens de kerkdienst, uit tegenover Van Meppel. Hij kreeg een boete van 6 stuivers opgelegd, die hij echter weigerde te betalen. Het Opper Consistorie, dat via Van Meppel op de hoogte was gesteld van de controverse, stelde voor de koster 'naar merites te corrigeren'. De directeuren voelden zich gesterkt in hun oordeel en een andermaal werd op Moses Abraham een beroep gedaan de boete te betalen. De koster weigerde echter wederom te betalen en dreigde, als hij daartoe toch gedwongen werd het 'hem uyt zijn oogen (te) kloppen'. Daarop besloten de directeuren op 11 januari 1811 hem gedurende een periode van zes weken als koster te schorsen. Toen deze disciplinaire maatregelen Moses Abraham werden aangezegd, gaf deze ten antwoord: 'ik neem daar geen genoegen mee'.

En inderdaad lag op 29 januari zijn ontslagaanvrage bij het Opper Consistorie. Tevens was daar het verzoek ontvangen van Van Meppel, de koster Moses Abraham uit zijn dienst te ontzetten. Het college ontsloeg daarop de koster en, daarbij de zijde van de directeuren kiezend, vermaande hem zich verder rustig te gedragen. De directeuren te Blokzijl waren echter nog niet tevreden. Zij eisten van de koster dat hij alsnog de boete van 6 stuivers, en bovendien zijn achterstallige bijdrage aan het armengeld, zou voldoen. Om dit af te dwingen werd op straffe van 50 stuivers bepaald, dat het een ieder verboden was Moses Abraham 'op te roep voor de 5 boek Moses'. Een maatregel die het voor de ex-koster onmogelijk zou maken de heilige boekrollen aan te raken en te participeren in godsdienstige plechtigheden. Dit had tot gevolg dat Moses Abraham tijdens een kerkdienst zijn woede hierover uitte en een klacht indiende bij het Opper Consistorie. Maar ook de directeuren hadden natuurlijk een klacht bij dit college ingediend vanwege de zoveelste ordeverstoring in de synagoge.

In een missive, 26 februari 1811 gericht aan de directeuren van de Joodse gemeente te Blokzijl, maakte het Opper Consistorie duidelijk dat de grenzen van het geduld waren bereikt. Het college dreigde bij de eerstvolgende klacht de 'bevoegde magt' in te schakelen ten einde een sluiting van de synagoge te bewerkstelligen. Dit kon alleen voorkomen worden als de gemeenteleden voortaan zouden trachten hun geschillen bij te leggen. Het Opper Consistorie berispte overigens de directeuren in verband met hun maatregelen tegen Moses Abraham. Het opleggen van een boete achtte het college een gepaste straf, maar een particulier gemeentelid verbieden mee te doen aan een godsdienstige plechtigheid, dat wees het Opper Consistorie duidelijk af. De directeuren moesten de ex-koster in zijn rechten herstellen. Verder raadde het college de directeuren aan in geval van verdere ordeverstoringen, de justitie in te schakelen.

Dit laatste advies namen de directeuren ter harte. Toen Moses Abraham op 4 mei wederom de rust in de kerk verstoorde, en de directeur Van Meppel zich gedwongen zag 'met woorden daar tegen te verzetten met te zeggen Zwijg Stil omdat zig de voorzanger genoodzaakt vond om met zijn gebeeden zig stil te houden tot hij bedaarde in zijn oproer', besloten zij tot actie. Deze voorzanger, Ezechiel Polak, verhaalde op 17 juni van de 'scheldwoorden' en 'vloekingen' die hem noopten het gebed te staken. Hij eindigde het gebed wel maar 'schoon ik mij weder hersteld hebbe het gebed ten uitvoer te brengen. Egter door diergelijke ontstuimingen wat mij deed angsten, beven en ontzetten, was ik niet magtig om te eindigen volgens gewoonte en behooren'. Enige dagen na die vierde mei richtten de directeuren een rekest tot de maire van Blokzijl. Hierin deden zij omstandig de hele voorgeschiedenis van de twist uit de doeken en verzochten de maire 'de requestranten te mainteneren in hun post als directeuren der Joodsche Gemeente te Blokzijl en hun alzo in staat te stellen aan het oogmerk hunner instelling te voldoen ofte zoodanige maatregelen te nemen waardoor M. Abraham tot zijn pligt, dat is in deze die van een stil, rustig en vreedig lidmaat der Joodsche kerk te Blokzijl mag kunnen gehouden worden.'

Moses Abraham beantwoordde deze nieuwe poging om vat op hem te krijgen door op 14 juni eveneens een rekest bij de maire in te dienen. Hij richtte zijn pijlen op Jacob van Meppel persoonlijk, door hem af te schilderen als een oneerlijk en onbetrouwbaar persoon, ongeschikt om de armengelden te beheren en die zeker niet geschikt was om als directeur van een Joodse gemeente op te treden. Hij illustreerde zijn beschuldiging met een aantal voorbeelden die voorzien waren van 'gerigtelijke bewijzen'. Ten eerste voerde hij aan, dat Van Meppel de Zwollenaar Ledeboer voor een aanzienlijk bedrag had opgelicht. Ten tweede had Jacob van Meppel te Amsterdam 'in de gijzeling gezeten'. Tenslotte wees Moses Abraham op het feit dat Van Meppel, waarschijnlijk in een belastingaangelegenheid, had verklaard geen goederen in zijn bezit te hebben. En ook deze bewering kon Moses Abraham met feiten staven. De maire schoof op 29 juni deze netelige zaak door naar de prefect van het departement der monden van de IJssel.

Op 13 juli retourneerde, vergezeld van een fikse schrobbering, de prefect de stukken aan de maire. Aangezien de maire intussen zelf had aangegeven, dat de twisten geluwd schenen te zijn, was de prefect graag 'verschoond gebleven van het lezen van zulke wijdlopige stukken over een onderwerp van zoo weinig aanbelang'. Ook kon hij niet instemmen met het voornemen van de maire, de kerk 'bij de minste gebeurtenis' te sluiten en dat het 'goede beleid' van de maire dergelijke rellen 'reeds in de beginselen zal kunnen voorkomen'. En de prefect voegde er nog aan toe, dat de maire er zorg voor moest dragen niet de schijn te wekken, dat hij zich rechterlijke functies aanmatigde. Vergeleken met het Ancien Regime waren de tijden dus wel veranderd. 

Hierna zwijgen de archiefstukken over de ex-koster, maar de door de maire gesuggereerde terugkeer van de rust was maar schijn. In september en oktober van hetzelfde jaar barstte een nieuwe serie ordeverstoringen los. Dit keer werd de synagoge het toneel van scheldpartijen van de al eerder genoemde Levy van Esso die het vooral op de voorzanger Polak scheen te hebben gemunt. Hoelang dergelijke taferelen zich nog hebben afgespeeld is niet duidelijk. Nog in 1813 dreigde Van Meppel Levy van Esso met een proces, omdat hij van 1811 tot 1813 zijn plaats in de kerk niet zou hebben betaald. Na dit jaartal schijnen er bij het Opper Consistorie  geen klachten meer te zijn binnengekomen en men mag dan ook aannemen dat in dat jaar de in 1809 tot stand gekomen gemeente, ondanks alle persoonlijke tegenstellingen, in een rustiger vaarwater was gekomen.

Dit artikel is eerder verschenen in het tijdschrift IJsselakademie 1986 nr. 2.

Reacties

afbeelding van Maud Breen
N.a.v. Wij wonen in de Zuiderstraat in Blokzijl en op een deel van onze grond heeft de Synagoge gestaan. Behalve de door u getoonde tekening kunnen wij geen beelden vinden van de synagoge, buiten noch binnen. Toont de foto bij het artikel de synagoge? Graag zouden wij meer beelden willen hebben van de synagoge en/of de leden van de Joodse gemeent. En weet u waar de attributen van de synagoge naar toe zijn gegaan of te achterhalen zijn? Alvast bedankt voor uw reactie. Vriendelijke groet Maud Breen
afbeelding van MSMD webredactie
Beste mw. Breen, We hebben helaas geen foto's van de synagoge in Blokzijl. Het is de vraag of die er zijn. Een mogelijkheid zou zijn dat hij in oude ansichten/foto's van de Zuiderstraat in Blokzijl te zien is. Wel staat in het boek 'De Joodse gemeenten in de Kop van Overijssel' van Laansma uit 1981 een afbeelding van de open plek in de Zuiderstraat waar de synagoge stond. Deze publicatie vermeld ook dat na de afbraak in 1926 de goederen in bewaring werden gegeven aan een zekere heer Brest. Twee thorarollen werden aan de Joodse gemeente in Steenwijk afgestaan. Met vriendelijke groet, Martin van der Linde - Stichting IJsselacademie
afbeelding van MSMD webredactie
Nog een korte aanvulling: in het boek Van Blokzijl naar Sobibor van Annemarie Schoemakers staat meer informatie over de sloop van de synagoge. Op de foto in het artikel staat de synagoge aan het einde van de straat links (het hoge gebouw). Hartelijke groet, Martin van der Linde
afbeelding van Maud Breen
Dank voor uw reactie. Maud Breen