Geplaatst door: 
Verhaal

Een fietstocht langs het Meppelerdiep in 1938

Voort hobbelen we langs een klein paadje over het dijkje van het Meppelerdiep. Steeds verder! waar de horizon ver en de hemel hoog is. Waar de leeuweriken jubelen, de geelgorzen roepen en de tjiftjaf de maat slaat. Twee mensenkinderen ontroerd door het lentewonder, dat zich ieder jaar herhaalt, maar dat toch ieder jaar weer nieuw is.

Kijk, kijk, in een dode arm van het diep zwemt een troep kuifeenden. De mannetjes prachtig wit met zwart, de wijfjes in bruine tint. Ook een paar futen: de hals hoog opgericht. Het zonlicht blikkert op het wit van de voorzijde. 

Aan onze linkerhand is het land hier en daar iets hoger. Het schijnt een ideaal oord voor de kieviten te zijn. Hun kie-ieie-wiet is niet van de lucht. We stappen maar es weer af en staan een poos te kijken. Er zijn daar zeker eieren, want de vogels komen vlak langs ons heen vliegen met angstig geschreeuw en veel capriolen. Maar van onze kant dreigt er geen gevaar, wel van de kant van een paar zwarte kraaien, die telkens met vereende krachten door de kieviten verjaagd moeten worden. Lang staan we te kijken. Het zou niet de eerste keer zijn, een kraai met een ei in de snavel er van door te zien gaan. Maar de kieviten schijnen doordrongen van de waarheid, dat "de aanhouder wint" en de kraaien moeten tenslotte aftrekken. Voor hoe lang?

Verder maar weer... Dotters en pinksterbloemen kleuren de natte landen. Het vruchtpluis van het kleine hoefblad wuift in de wind, de paardenbloemen glanzen in het zonlicht en de madeliefjes liggen als uitgetelde dubbeltjes op een groen kleed. Groote pollen hemelsleutel schieten op in het gras. Tussen de dijk en het Meppelerdiep zijn de landen zo laag, dat we op sommige plaatsen niet weten, met land of met water te doen te hebben, want waar de grutto's lopen, zwemmen de koeten.

Het is soms moeilijk te schatten, hoeveel vogels we bij elkaar zien, maar hoe langer je staat te turen, hoe meer je er ziet. De enkele boer, die ons passeert, kijkt nieuwsgierig en verwonderd. Wat twee stadsmensen in deze eenzaamheid uitspoken, is hem absoluut een raadsel.

Hoor toch eens al die vogelgeluiden! Grutto's, tureluurs, kieviten en wulpen door elkaar! Maar altijd harmonisch, altijd welluidend! Wel een verschil met het heidense lawaai van een jazzband! Zouden er in de natuur wel dissonanten voorkomen? Ik betwijfel het!

En verder: zijn er in de natuur wel kleuren, die vloeken? Die landen vol dotters: het is een mengeling van groen en geel, maar het zou een grove leugen zijn, te beweren, dat het er ons "groen en geel voor de ogen" van wordt. We rijden door een klein gehucht, vlak aan het water gelegen, waar enkele boeren en rietsnijders wonen. Een menselijke nederzetting in deze wijde uitgestrektheid. Geen radio-getier, geen auto-getoeter. Maar de leeuweriken zingen en in het riet keffen de koeten hun kort koet-koet-koet. De eksters schetteren in de hoge populieren en een reiger vliegt met langzame vleugelslag over.

En dan maar weer verder. Wat zwemt daar? Gauw kijken! een roodkeelduiker: een wintergast, die de noordelijker streken nog niet weer heeft opgezocht. Mooi grijs gepareld over de rug, kop en staart meer effen grijs en een witte onderkant. AI gauw is sinjeur naar het midden van het water vertrokken en dobbert daar op en neer op de deining van een zoeven gepasseerde motorschuit. Toch zien we hem goed. Vooral door de kijker ontgaat ons niets van de tekening van z'n verenkleed.

En zo komen we van liever lede in Zwartsluis. Het kleine stadje vol van het gehamer en getik van de scheepshellingen, vol van de geur van Buismans gebrande suikerpoeder, van teer en carbolineum. Even de steiger aflopen. Zo staan we boven het Zwarte Water. Aan de overzijde aan onze rechterhand ligt Genemuiden, naar links Hasselt. Kijk, daar zijn weer een paar oude bekenden: aalscholvers uit de kolonie van Wanneperveen, die hier komen vissen. Ook aan het Meppelerdiep hebben we ze af en toe gezien. De vissers zien deze dieren niet graag, maar wij kunnen steeds weer met plezier naar deze forse zwarte vogels kijken. Om alles beter te kunnen zien, lopen we de "stad" door. Huizen met oude gevels en jaartallen. Een prachtige gevelsteen: een schip met volle zeilen. Aan een heel ouderwets winkeltje een tabaksrol en aan de kerk een steen, voorstellend een leeuw met een dambord, het wapen van Zwartsluis.

Buiten Zwartsluis zetten we de spurt er in. Nu hebben we het Meppelerdiep aan onze rechterhand. Steeds zien we weer massa's vogels. In sommige landen ware volksvergaderingen!! Onder de rook van Meppel staan tussen de grutto’s en tureluurs ook een stelletje kemphanen. We liggen een poos tegen een grinthoop, in de hoop een toernooi te zien, maar een paar grutto's, die met veel lawaai uit de lucht komen neerstrijken, brengen blijkbaar zo'n consternatie te weeg, dat ongeveer de hele verzameling het "hazen"-pad kiest. Ze zwenken over ons heen en vallen, naar we menen, bij een plas aan de andere kant van de weg weer neer. Als we gaan kijken, is er geen vogel te zien. Als kleine schadeloosstelling worden er daarom maar een handvol dotters geplukt (en een nat "pootje" gehaald) en dan trappen we naar Meppel. We hebben uren en uren zoek gebracht vlak bij huis, maar we hebben meer gezien, dan degenen, die met een snelle auto enorme afstanden afleggen.

*Dit artikel komt uit "Trekken en Natuurgenieten", het mededelingenblad van "De Tonijn", Natuurhistorische en Folkloristische Vereniging te Amsterdam, 3e jaargang nr. 5, 1938.

Reacties