Geplaatst door: 
Verhaal

Dominee Rozendaals kommer en kwel (Dalfsen, 1812-1816)

De tijd van de inlijving van ons land bij het Franse keizerrijk (juli 1810-november 1813) bracht voor vele beroepsgroepen een aanzienlijke verarming met zich mee. Dit kwam vooral door het verbod om handel te drijven op Engeland, de onmogelijkheid handelswaren uit de koloniën in de Indische archipel naar het moederland te vervoeren en door de veldtocht van Napoleon naar Rusland.

Of de opneming in het Franse bestuursapparaat ook nadelige gevolgen heeft gehad voor de inkomens van de Nederlandse ambtenaren, weet ik niet. Wel is zeker, dat met name de predikanten van de Gereformeerde Kerk te maken kregen met de onaangename kanten van de hervormingen die de keizerlijke regering op bestuurlijk terrein doorvoerde. Zo had de regering onder meer plannen voor een vergaande reorganisatie van de kerkgenootschappen. Tot dan toe waren de  predikantstraktementen door de plaatselijke of gewestelijke overheden betaald. In afwachting van een definitieve regeling van de scheiding tussen kerk en staat zou de regering in Parijs voorlopig de traktementen voor haar rekening nemen, maar al na korte tijd werden de betalingen gestaakt. In veel pastorieën steeg de nood hoog, ook in die van de Dalfser predikant Wolferd Abraham Johannes Rozendaal. In het begin van 1812 zag hij geen andere uitweg dan zijn kommer en kwel aan de kerkenraad voor te leggen. In de vergadering van 27 januari vertelde hij de ouderlingen en diakenen, dat hij sinds 1 december 1810 geen traktement had ontvangen. Daar kwam nog bij dat hij met ingang van 1812 ook niet meer kon rekenen op verdiensten voor het doen van inschrijvingen in het doopregister, omdat vanaf die tijd het registreren van geboorten, het opmaken van huwelijks- en overlijdensakten een taak van de plaatselijke overheid was geworden. Vervolgens bracht Rozendaal de kerkenraadsleden tactvol onder ogen, dat de kommervolle omstandigheden waarin zijn gezin zich bevond voor een deel ook te wijten waren aan het feit dat hem de honderden guldens, die hij ten behoeve van de diaconie renteloos had voorgeschoten, nog steeds niet waren terug betaald. Daarom verzocht hij de broeders dit geld zo snel mogelijk aan hem terug te geven, alsmede een regeling te treffen waardoor hij in de toekomst verzekerd zou zijn van een vast inkomen.

De kerkenraad zag de redelijkheid van zijn verzoeken in en besloot alle mannelijke lidmaten en gezinshoofden op zes plaatsen in de gemeente bijeen te roepen. Namens de kerkenraad zou de aanwezigen dan gevraagd worden uit elke vergadering twee afgevaardigden aan te wijzen om samen met de ouderlingen, diakenen en kerkmeesters een commissie ter voorziening in het achterstallige traktement te vormen.

De korzelige briefwisseling

In de kerkeraadsvergadering van 2 februari konden de namen van de aangewezen afgevaardigden worden genoteerd. De kerkenraadsleden die de vergadering in de Emmer school hadden bijgewoond, moesten echter tot hun spijt melden dat zestien lidmaten en gezinshoofden uit Emmen en Lenthe hadden geweigerd hun medewerking te geven. Zij hadden hun mening in een brief nader uitgelegd en deze werd door de predikant ter kerkenraadsvergadering voorgelezen.

Hun standpunt kwam hierop neer. Zij waren wel bereid bij te dragen voor het instandhouden van de eredienst, maar toezeggingen voor het traktement van de predikant wilden ze niet doen, omdat de salariëring van geestelijken een zaak was waarvoor de regering een regeling zou maken. Als die erop zou uitdraaien dat de kerkelijke gemeenten zelf hun predikanten zouden moeten onderhouden, dan waren zij zeer zeker genegen samen met de vertegenwoordigers uit de andere buurschappen en het kerkdorp een commissie voor dit doel te vormen. Daarin zouden dan echter geen leden van de kerkenraad of kerkmeesters mogen zitten.

Na het aanhoren van deze brief besloot de kerkenraad de tegenstrevende lidmaten uit de genoemde buurschappen nogmaals voor een bespreking in de school van Emmen uit te nodigen om te trachten hun bezwaren uit de weg te ruimen.

De bewuste samenspreking vond op 21 februari plaats, maar de uitslag was dat de aanwezigen bij hun afwijzing van het kerkenraadsvoorstel bleven. Ook nu verwoordden zij hun argumenten in een brief, die op 21 maart door de kerkenraad behandeld werd. Het schrijven - ondertekend door Peter Visser en Herm Dijk - was kennelijk nogal beledigend van toon, want in het antwoord dat dominee Rozendaal alvast had opgesteld en dat hij nu ter goedkeuring aan de ouderlingen en diakenen voorlegde, wordt tenminste gesproken van "medelijden met den geest van den opsteller, die er in doorstraalde". Van zijn kant zou de kerkenraad echter "smaad met wedersmaad niet aanpakken". Het antwoord aan Visser en Dijk ging verder met een uitvoerige beschrijving van de oorzaken van de moeilijke omstandigheden waarin de predikant geraakt was. Tenslotte werd de heren verzocht de inhoud van het stuk aan de hervormde inwoners van Emmen en Lenthe bekend te maken.

De brief van de kerkenraad werd door Visser en Dijk op 9 april beantwoord en ook nu was de toon bepaald niet vriendelijk. Zij meenden gegronde redenen te hebben het schrijven niet aan hun hervormde buurschapsgenoten voor te leggen en "ook verkiezen wij de knegt of de looper van den kerkenraad niet te zijn". Vervolgens spraken zij er hun verbazing over uit, dat de brief niet op gezag van jonkheer Mulert (burgemeester van de gemeente Dalfsen én ouderling) was verstuurd, maar door dominee Rozendaal zelf. Een vriendelijk woord aan het adres van de predikant kon er echter nog wel af: "Wij danken uw voor uwe herinneringen dat gij ons geleerd hebt (catechisatie gegeven) en dat gij gedurig nog arbeid an onzer zijelen heil. Wij dragen uw daar voor ook toe liefde en genegentheijd". De beschuldiging die dominee Rozendaal in een begeleidend briefje aan hun adres had geuit, namelijk dat zij leedvermaak zouden hebben over de positie waarin hij zich bevond, wezen Visser en Dijk met stelligheid van de hand: "iets dat tog geheel en al verschild van niet jaa en aamen te zeggen op hetgeen dat de kerkenraad maar verkiest voor te stellen"! Zij sloten hun brief af met een welgemeend advies: "onder hartelijke toe beede dat de kerkenraad en die haar voorligt twist, tweedragt en wargeesterij steeds zal zoeken te vermijden".

Daar konden dominee Rozendaal en de kerkenraadsleden het dan mee doen!

Maar, de predikant was er de man niet naar om zich gauw van zijn stuk te laten brengen. Hij wilde tot het uiterste gaan om tweedracht over de zaak die juist hem zo zeer aanging te voorkomen. De stap die hij zette zullen Visser en Dijk wellicht niet verwacht hebben, want per ommegaand briefje nodigde hij de beide dwarsliggers uit om de komende zondag na de middagkerkdienst bij hem in de pastorie te komen, ten einde de kwestie onder het genot van een pijpje uit te praten. Visser en Dijk sloegen echter eveneens per kerend schrijven de vriendelijke uitnodiging af, met het argument:" Alzo wij niet verkiezen om ons in of uit te laaten over een zaak, die niet betreft ons allen, maar de hervormden van Emmen en Lenthe; en waar over dierhalven een met ons onder een pijpjen te houden gesprek geheel ongeschikt is".

In zijn vergadering van 15 april besprak de kerkenraad de situatie en dominee Rozendaal zal de broeders ongetwijfeld hebben verteld over zijn mislukte poging een gesprek met Visser en Dijk in de huiselijke sfeer te regelen. De kerkenraad besloot nu nog één keer te trachten de weigerachtige lidmaten uit de beide buurschappen van gedachten te doen veranderen. Daartoe zouden zij op zondag 18 april in de school van Emmen worden opgeroepen om daar een brief van de kerkenraad aan te horen. Hierin zouden de ouderlingen en diakenen uitspreken bereid te zijn hun aantal vertegenwoordigers in de commissie te verminderen. Naast twee afgevaardigden uit elke buurschap zouden dan twee ouderlingen, twee diakenen en tenslotte twee kerkmeesters er deel van uitmaken. De lidmaten uit Emmen en Lenthe zou nog eens dringend gevraagd worden nu zelf ook twee afgevaardigden aan te wijzen.

Inderdaad kwamen de lidmaten en hervormde gezinshoofden uit de twee  buurschappen op zondag 18 april in de school van Emmen bijeen om over de brief van de kerkenraad te beraadslagen. De uitkomst was zoals te verwachten viel. Opnieuw wezen zij het kerkenraadsvoorstel van de hand. En ook nu weer werd dit besluit schriftelijk meegedeeld. De briefschrijvers deden daarbij tevens het verzoek hun beslissing in de handelingen van de kerkenraad vast te leggen en de afgevaardigden, die de bewoners van de andere buurschappen en het kerkdorp al mochten hebben aangewezen, op de hoogte te stellen.

De vergadering van de Dalfser lidmaten

Naar aanleiding van deze laatste brief besloot de kerkenraad op 5 mei alle lidmaten op de middag van tweede Pinksterdag (18 mei) in de kerk bijeen te roepen. De bewuste vergadering moest echter uitgesteld worden, omdat blijkbaar een heldere geest de leden van de kerkenraad nog net op tijd onder ogen had gebracht dat bij de zegeningen van het Franse keizerrijk de vrijheid van vergadering niet was inbegrepen. Per brief werd daarom de sous-prefect in Deventer verzocht de hervormde lidmaten van Dalfsen bijeen te mogen roepen om een commissie voor het achterstallige predikantstraktement te benoemen. Op 18 juni kon dominee Rozendaal de kerkenraad meedelen dat de gevraagde toestemming binnen was, waarop men besloot de mannelijke lidmaten op dinsdag 22 juni om tien uur in de kerk bijeen te laten komen.

Op woensdag 30 juni brachten de ouderlingen J. Van der Werf en B. J. Van Enst, die de vergadering hadden geleid, aan de kerkenraad verslag uit. Zij konden melden dat een commissie van twaalf personen gevormd was. Hierin waren echter geen leden van de kerkenraad noch kerkmeesters gekozen. Over het doel van de commissie was helaas niet iedereen het eens geweest, want een aantal aanwezigen had een bezwaarschrift ingediend tegen het voorstel van de kerkenraad om aan alle lidmaten een geldelijke bijdrage te vragen. Het belangrijkste argument van de bezwaarden was geweest, aldus de beide rapporteurs, dat de kerkenraad de zaak met "te veel overhaasting" trachtte door te drukken. De namen van de opposanten worden in de acta niet vermeld, maar zeer waarschijnlijk ging het om de groep uit Emmen en Lenthe.

Het is maar wat een mens onder haast verstaat. In de kerkenraadsvergadering van 1 november stelde dominee Rozendaal namelijk vast, dat de achterstand in traktement inmiddels tot twintig maanden was opgelopen. Eén van de aanwezigen - ik neem aan dat burgemeester F.C. Mulert aan het woord kwam - kon vervolgens een nieuwtje meedelen dat de predikant zonder twijfel zeer zal hebben opgebeurd. Hij had namelijk gehoord dat de regering inmiddels een regeling voor de traktementen van geestelijken had uitgewerkt. De kerkenraad besloot daarop "de kenniskrijging" af te wachten.

Schraalhans bleef keukenmeester

Wat ook de regering zich voorstelde te doen, van betaling van de traktementen kwam tijdens het jaar dat de inlijving bij Frankrijk nog zou duren niets terecht. Hoe in het levensonderhoud van dominee Rozendaal en de zijnen werd voorzien, is helaas niet bekend. Misschien werd het gezin door meelevende gemeenteleden van de noodzakelijke levensmiddelen voorzien, wellicht bracht de commissie genoeg geld bijeen om de mensen door de ergste nood heen te helpen. Bij de losse  archiefstukken bevindt zich inderdaad een lijst van personen die een bijdrage hadden toegezegd. Maar deze lijst is niet gedateerd, zodat zij evengoed uit een later jaar kan stammen. Hoe het zij, het was niet afdoende, zodat dominee Rozendaal zich op een gegeven ogenblik genoodzaakt zag om duizend gulden te lenen van Egbert Willem Van der Kolk.

Hoewel de regering van koning Willem I na de bevrijding de spoedige betaling van de achterstallige predikantstraktementen in het vooruitzicht stelde, had dominee Rozendaal op 27 april 1814 nog niets gebeurd. In de kerkenraadsvergadering van die dag zag hij zich zelfs gedwongen bekend te maken, dat hij in grote moeilijkheden dreigde te komen. Van der Kolk had hem namelijk gezegd dat hij zijn geld vóór 1 mei terug moest hebben en wel om zijn zwager P. Hofman te helpen, die een boerderij wilde kopen. Burgemeester Mulert nam op zich om van de instanties gedaan te krijgen, dat het achterstallige traktement nog vóór die datum uitbetaald zou worden. Dit lukte hem echter niet, zoals blijkt uit de vergadering die de kerkenraad met de commissie op 8 augustus daaropvolgend belegde. Er werd meegedeeld dat Hofman zich had weten te behelpen door het benodigde bedrag van een zekere Beumer uit Zwolle te lenen. Maar deze had op zijn beurt Hofman nu laten weten, dat hij het geleende geld uiterlijk per 1 september terug moest hebben. Een lastig probleem en de kerkenraad kon geen andere oplossing bedenken dan dat twee vooraanstaande leden uit de commissie aan Beumer voor Hofman uitstel tot 1 november zouden vragen. Gezien het feit dat de acta van deze zaak geen melding meer maken, zal iedereen wel op zijn voeten terecht zijn gekomen. Maar het zou nog een hele tijd duren eer het achterstallige traktement bij dominee Rozendaal binnen was.

In hun vergadering van 21 februari 1816 stelden de ouderlingen en diakenen tot hun genoegen vast, dat zij er met de kerkmeesters - kennelijk was de taak van de commissie door hen overgenomen - ten lange leste dan toch in waren geslaagd door middel van een hoofdelijke omslag geld voor de predikant in te zamelen. Het was echter niet genoeg om de achterstand helemaal weg te werken. De leden van de kerkenraad besloten daarom nog eens in de gemeente rond te gaan en te proberen "of zij door zagtheid innen konden het geen nog debet was". Aangezien dit het laatste is wat wij over het achterstallige traktement horen, mogen we hopen dat daarmee voor dominee Rozendaal een einde was gekomen aan een periode, die in de herinnering van de familie ongetwijfeld zal zijn blijven voortleven als de jaren van kommer en kwel.

Dit artikel, van de hand van Freek Pereboom, is eerder verschenen in het tijdschrift IJsselakademie, september 1990, nr. 3.

Reacties