Geplaatst door: 
Verhaal

De niet zo vrije kolonie Willemsoord

Auteur: 
Martin van der Linde

‘Een losbandig en ontuchtig levensgedrag en daaruit voortgevloeide zwangerheid!’ Voor deze aanklacht moest de 21-jarige Johanna Godel in 1825 verschijnen op een zitting van de Raad van Tucht in de vrije kolonie Willemsoord. Godel bekende zwanger te zijn, maar vroeg de Raad om hierover ook te spreken met ‘den jongen kolonist Jan Snoek, die haar tot deze misdaad verleid heeft’. Vanaf dat moment ontspint zich een ware kolonieklucht.

Toen Snoek twee weken later voor de Raad verscheen bleek namelijk dat hij ‘een meerlijke verkering’ gehouden zou hebben met zowel Johanna Godel als met Johanna Grollee, dochter van kolonist Antonie Grollee. De gezinnen Snoek en Grollee woonden in Willemsoord tegenover elkaar op de hoeves 53 en 54, de huidige Koningin Wilhelminalaan 32 en 21. De 17-jarige Johanna Grollee verklaarde dat Snoek ‘onderscheidene malen, op ene geweldige wijze getracht heeft, haar tot oneerbaarheid en ontucht over te halen’, en dat hij haar zelfs een keer ‘enen daalder in den schoot had geworpen’, maar dat zij ‘door het aanwenden harer krachten, steeds hare eer bewaard had gehouden’.

Omstreeks dezelfde tijd had Snoek zijn oog ook laten vallen op Johanna Godel, die even verderop op hoeve 60 (Kon. Wilhelminalaan 24) woonde. De huismoeder van Godel verklaarde aan de Raad dat Snoek met Godel op ‘verscheidene zondagavonden op ene buitengewone wijze had gespeeld en gestoeid’. Met als resultaat de genoemde zwangerschap. Snoek zelf ontkende ooit met Godel ‘verkering gehad te hebben, op welke verklaring hij zelfs gereed is, eden te doen’. Met Grollee daarentegen gaf hij toe ‘oneerbaar geleefd te hebben’. Het zou hem zelfs niet verwonderen ‘wanneer deze zwanger van hem was geworden’. Een ogenschijnlijk slimme uitleg, want het was juist Johanna Godel die in verwachting was en niet Johanna Grollee.

De leden van de Raad van Tucht geloofden niks van Snoeks verhaal. Zij waren ervoor aangesteld de ‘zedeloosheid en ontucht’ zoveel mogelijk uit de koloniën te weren. Een strenge straf kon daarom niet uitblijven. Zowel Snoek als Godel werden ‘uit hoofde hunner begane ontucht en hare zwangerheid’ per direct veroordeeld naar strafkolonie de Ommerschans. Omdat alleen Grollee ‘hare eer’ had weten te bewaren, kwam zij er van af met de ernstige vermaning dat ‘ze zich voortaan niet meer met zodanige jongens’ op moest houden. 

Vrije kolonie

De zaak van Snoek, Godel en Grollee is een goed voorbeeld van de gevolgen van de kadaverdiscipline die de Maatschappij van Weldadigheid van haar kolonisten eiste. Willemsoord heette dan wel een vrije kolonie, maar die benaming kwam alleen voort uit het feit dat armoedige gezinnen en wezen zich 'vrijwillig' in de kolonie lieten opnemen. De term betekende zeker niet dat de bewoners konden doen en laten wat ze wilden. De omvorming van een ‘ontzenuwd en verbasterd menschengeslacht’ tot ‘goede, ijverige en brave ingezetenen’ ging nu eenmaal niet vanzelf.

Integendeel, de Maatschappij had een uitgebreid arsenaal aan regels opgesteld voor het leven in de kolonie. Zo mochten de kolonisten het gebied niet zonder toestemming van de directeur verlaten, was hard werken en zondagse kerkgang verplicht, en verklaarde de Maatschappij de kroeg tot verboden gebied. Overtredingen werden streng bestraft door de speciaal ingestelde Raad van Tucht. De consequentie was dat wie eenmaal in het systeem van de Koloniën van Weldadigheid zat er maar moeilijk weer uit kon komen.  

De 16-jarige Sophia Walraven bijvoorbeeld had haar moeder in Rotterdam al 3,5 jaar niet gezien. Om haar te bezoeken en wat reisgeld te bemachtigen verkocht Sophia stiekem ‘haar gezangboek voor 25 centen’. Ze was ook voornemens ‘haar bijbel en boezelaar te verkopen’, maar haar reisplannen kwamen aan het licht. Zonder verlof was het verlaten van de kolonie ten strengste verboden. De Raad van Tucht stuurden Sophia in plaats van naar haar moeder in Rotterdam, met onmiddellijke ingang naar de strafkolonie Ommerschans. Walraven zou haar moeder nooit meer zien. In 1829 keerde ze terug in de kolonie Willemsoord, maar na opnieuw een vluchtpoging en straf in de Ommerschans overleed Walraven in 1846 op 35-jarige leeftijd in bedelaarsgesticht Veenhuizen.

Van de regen in de drup

Iemand die ook in het systeem van de Maatschappij van Weldadigheid verstrikt leek te raken was kolonist Jacob Walbroek en zijn huisgezin. Walbroek was door ‘de waakzaamheid der politie te Blokzijl’ aangehouden toen hij zich wilde inschepen ‘om zonder ontslag of verlof de kolonie Willemsoord te verlaten, om naar Holland te vertrekken’. Als reden voor zijn vertrek verklaarde Walbroek dat hij van een mede-kolonist had gehoord dat ‘alle zwakke huisgezinnen, welke hunne voeding en kleding niet konden verdienen, overgeplaatst zouden worden naar ene der etablissementen te Veenhuizen’. Walbroek, ‘zwak van lichaam zijnde’ was bang dat hij hiervoor in aanmerking zou komen, ondanks het feit dat hij 'gedurende zijn 5-jarig verblijf alhier, veel genoegen en een behoorlijk bestaan had gehad’.

De Raad van Tucht oordeelde dat hoewel op Walbroeks gedrag ‘op zich niets viel aan te merken’ en hij zich in de kolonie ‘braaf heeft gedragen, waardoor hij de achting van velen heeft gewonnen’, de wetten en reglementen van de Maatschappij gehandhaafd moesten worden. Desertie moest worden tegengegaan. De familie, die tot dan toe goed bekend stond, raakte zo van de regen in de drup en moest alsnog naar de gevreesde strafkolonie toe. Niet bepaald een aantrekkelijk vooruitzicht, zo dacht ook Walbroek, want negen dagen later deed hij opnieuw een poging om de kolonie te ontvluchten. Deze keer met succes. De familie keerde naar hun thuisstad Rotterdam terug.

Ontslag

Voor wie eenmaal in het systeem zat, bleek vertrek uit de kolonie dus geen eenvoudige zaak. De enige officiële terugkeermogelijkheid naar de gewone maatschappij, was ontslag vanwege goed gedrag. Van Snoek, Grollee en Godel zou alleen laatstgenoemde uiteindelijk deze weg bewandelen. Snoek koos drie maanden na zijn veroordeling al het hazenpad. Hij ontvluchtte de Ommerschans en verdween voorgoed. Grollee woonde tot haar dood in 1888 in de kolonie Willemsoord. Godel schonk in de Ommerschans het leven aan een dochtertje, dat kort daarop al overleed. In 1828 kreeg ze voor onbepaalde tijd verlof om elders als dienstmeid te gaan werken. Een jaar later verleende de Permanente Commissie haar definitief ontslag uit de kolonie. Ze zou trouwen met een 'landman die een behoorlijk bestaan heeft'. Missie geslaagd, zou Johannes van den Bosch zeggen.

Bronnen:

- Assen, Drents Archief, Archief van de Maatschappij van Weldadigheid, Notulen van vergaderingen van de Raad van Policie en Tucht, 8 oktober 1825-8 november 1849.
- Kloosterhuis, C.A., De bevolking van de vrije koloniën der Maatschappij van Weldadigheid (Zutphen 1981)
- Schackman, W., De proefkolonie (3de druk, Amsterdam 2009)

Reacties