Geplaatst door: 
Verhaal

De klok in de klokkenstoel van Wanneperveen

Auteur: 
H. v.d. Belt

't Was geen nieuw ontwerp dat werd gebouwd op de plaats waar nu de Wanneperveense kerk en klokkenstoel staan. Meer een reeds lang bestaande kerk die verplaatst moest worden. Het is wel als zeker aan te nemen dat het water, dat uiteindelijk het hele gebied het aanzien zou geven zoals we het nu kennen, het wenselijk maakte dat de kerk verplaatst werd. Een kerk verplaatsen doet men natuurlijk niet voor genoegen. Het was eerder een bittere noodzaak. De kerk werd verplaatst naar een wat hoger gelegen gebied. Dat was even benoorden waar nu de Ronduite is en nu de golven van de Beulake klotsen. Vooral niet te verwarren met de kerk van het latere dorp Beulake. Dat dorp spoelde in 1766 weg. We schrijven nu 1502. Als geen andere in de omgeving heeft de Wanneperveense kerk een bewogen geschiedenis. Zoals uit oude stukken blijkt stond de Wanneperveense kerk ook al eens in de Belter. Het was dus niet de eerste keer dat de kerk verplaatst moest worden in dat jaar.

Voor beide, zowel het verplaatsen, als voor het opbouwen op de plaats waar de kerk nu staat was vergunning nodig, evenals anno 1982. De vergunning werd afgegeven door de toenmalige bisschop op 2 april 1502:

Wij Frederikus, markgraaf van Baden, bij de genade Gods en van de Heilige stoel bisschop van Utrecht, aan onze beminde pastoor, hulppastoor, bestuurders en kerkmeesters van de afzonderlijke parochianen van de parochiekerk van Wanneperveen, eeuwig heil in God Heer. Wij geven toestemming en vergunning om voornoemde parochiekerk van Wanneperveen met inbegrip van doopvont en altaren die in deze kerk gewijd zijn, van de plaats waar ze nu staat, naar een meer geschikte plaats In de parochie over te brengen of te doen over brengen. Gegeven onder ons gewone zegel in het jaar des Heren duizend vijfhonderd en twee, op de vijfentwintigste dag van de maand april.

Of de te verplaatsen Wanneperveense kerk ook een toren heeft gehad valt uit de akte niet af te leiden. Ook wordt niet over een klokkenstoel gesproken. Zeker is dat er voor 1767 een klok was en wel met het randschrift: LUX LUSET IN TENIBRIS SYMBOOL ECCLES WANNEP en met als kerkelijk wapen voorstellende één kaars. Dit kerkelijk wapen wordt vermeld in de notulen van de Wanneperveense kerkenraad van 8 mei 1767, (oud kerkarchief Wanneperveen).

De voormalige burgerlijke gemeente Wanneperveen voerde echter drie kaarsen in haar wapen met hetzelfde randschrift. Algemeen wordt aangenomen dat de drie kaarsen van het burgerlijk wapen het totale schoutambt voorstellen nl. Wanneperveen, Dingsterveen en Zwartsluis. Wat Zwartsluis betreft moet echter een uitzondering worden gemaakt voor de Schans, die niet onder de jurisdictie van het schoutambt viel.

Uit de eerder genoemde kerkenraadsnotulen blijkt dat de bestaande klok op het eind van 1766 in het bovenste gedeelte gebarsten is en dus niet meer bruikbaar. Er moet een nieuwe klok komen. In de kerkenraadsvergadering van 11 januari 1767 wordt de klok aan de orde gesteld. Als de kerkenraad besluit de zaak aan de landdrost van Vollenhove voor te leggen is dat niet naar de zin van de in december 1766 verkozen kerkmeester Jan Arends. "Als kerkmeesters kunnen we het zelf wel", zegt hij. "We hebben de Drost van Vollenhove niet nodig". Maar de kerkenraad besluit om de zaak over de gebarsten klok wel aan de Drost voor te leggen. De oudste kerkmeester Gerrit Thijs en de diaken Jan Arends zullen de zaak met de schout bespreken. Van deze missie komt echter niets terecht. De kerkmeesters, in die tijd verantwoordelijk voor het toezicht op en het beheer van de kerkelijke gebouwen, blijven eigenmachtig handelen en trekken zich van het besluit van de kerkenraad niets aan. Bomen op het kerkhof worden gekapt en de timmerlieden voor de bouw van een klokhuis besproken. Maar dat is natuurlijk de kerkenraad tegen de haren instrijken. Deze dient een rekest in bij de Landdrost baron de Vos van Steenwijk. Ze vermeldden dat zij inlichtingen over de bouw van een klokkenstoel in Zwartsluis hadden ingewonnen en ook in Giethoorn, waar kort tevoren een nieuw klokhuis voor f 1000,- gebouwd was. Tevens wordt de handelwijze van de kerkmeesters onder de aandacht van de drost gebracht en geklaagd over "hun stout gedrag". Na verhoor van partijen neemt de drost een beslissing. Hij gelast de kerkmeesters om de zaken van de kerk op de oude voet voort te zetten en te behandelen zo als het van jaren her was geweest. Ze worden dus ook terecht door de drost op hun plaats gezet. Immers kerkmeesters hoorden niet tot het bestuur van de kerk.

De kerkenraad leefde in de hoop dat met de beslissing van de drost de zaak aan de kant zou zijn, maar dat was een misrekening. Er wordt een vergadering belegd bij zogeheten gerichtelijke kerkesprake. Dit was een vergadering die door de schout werd opgeroepen. Het doel van die vergadering was om te debatteren over het beheer en bestuur van de kerk. Maar ook over het aanschaften van een klok. En of er een toren op de kerk moest komen of een nieuw klokhuis gebouwd moest worden. De vergadering komt niet tot overeenstemming. Daarom dient het karspelbestuur een rekest in bij Ridderschap en Steden van Overijssel. Dit rekest maakt duidelijk dat het  kerspelbestuur van mening is, dat de kerk zijn eigendom is. Het bestuur vreest, dat ook de kosten voor de bouw van een nieuwe klokkenstoel en het gieten van een nieuwe klok niet geheel door de kerkelijke gemeente betaald kunnen worden zo dat het kerspel voor een deel van de kosten zal moeten opdraaien. Voor de stelling, dat het kerspel in feite eigenaar is van de kerk worden een aantal argumenten aangevoerd: de tegenwoordige kerk is destijds gebouwd uit de opbrengst van een belasting op grond van een resolutie van Ridderschap en Steden. De heffing betrof het zogenaamde oortjesgeld. Deze belasting werd geheven op de verkoop van veenlanden. Het kerspel vreest dat de opbrengst sterk zal  verminderen, omdat alle daarvoor in aanmerking komende gronden bijna zijn verkocht. Op grond van deze argumenten meent het kerspel aanspraken te kunnen maken op het beheer van de kerkelijke bezittingen. In zijn verweer zegt de kerkenraad, dat bestuur en beheer van de kerk nooit in handen van het kerspel zijn geweest. Ook het feit dat Wanneperveen en Dingsterveen een burgerlijke gemeente zijn maar kerkelijk niet, wordt onder de aandacht van Ridderschap en Steden gebracht.

Het kerspel heeft zich ook niet bemoeid met de bouw van het tegenwoordige schoolhuis en de school in 1747, aldus de kerkenraad. Toen zei het kerspel dat dat een zaak van de kerk was. Het kerspel hoeft ook niet bang te zijn dat de kerkenraad een beroep zal doen op een financiële bijdrage in de bouwkosten. In 1753 had de kerk weliswaar een schuld van f 2265,-. Maar die was inmiddels afgelost terwijl er in 1767 een batig saldo van f 800,- was. De kerk kan zich zonder het kerspel wel redden zegt de kerkenraad. Verder wordt nog verwezen naar een kerkboek van 1632, maar dat boek heb ik in het huidige kerkarchief niet kunnen vinden. Beide geschriften werden door Ridderschap en Steden in handen gesteld van een kommissie, bestaande uit een burgemeester van Kampen (vertegenwoordiger van de Steden) en de heer Sloet (lid van de Ridderschap). De commissie stelt de kerkenraad in het gelijk. Op 28 april 1767 wordt de vergunning voor de bouw van een nieuw klokhuis afgegeven. En op 8 mei 1767 wordt door de kerkenraad het volgende besloten.

Besluit

“Is door de kerkeraad en kerkmeesters geresolveert dat op de nieuwe klok, die in de Staatsgeschut- en Klokkegieterij te Amsterdam, tegen 13 stuivers per t, pond besteld is, waar tegen de oude klok ad 8 stuivers per pond wordt aangenomen. Het na volgende zal vertoont worden. Gelijk ten zelve dage te dien einde door een brief van de predikant aan de Heer Pieter Sust in voorschreven gieterij te Amsterdam wonende, is bekend gemaakt. Zijnde brief 's anderen daags bij gelegenheid van de classis door de predikant van Blokzijl meegenomen en vandaar, (Blokzijl) de volgende dag met het veerschip op Amsterdam verzonden.”

Aan de ene kant moet zijn het wapen  dezer gemeente (kerk) zijnde EEN brandende kaars op een kandelaar in een ovaal rond met het ommeschrift: LUX LUSET IN TENEBRIS, SYMBOOL ECEXLES WANNEP. Daar tegenover aan de andere zijde van het WAPEN DEZES KARSPELS zoals het zelve op de oude klok te zien is.

Tussen beide wapens aan de zijde moet worden geplaatst de naam van de tegenwoordige Heer Scoltus der plaatse, met de woorden Edmund van Kalkestein Schultus van Wannepervene, Dingstervene en Zwartsluis. En daar tegenover de naam van de tegenwoordige predikant dezer gemeente met de woorden Antonius cato Kamerlinghe predikant te Wanneperveen. Waarbij onder of aan de rand, of waar het gevoegelijk kan staan; gegoten volgens besluit van kerkenraad en kerkmeesters van Wanneperveen met approbatie van de heer H.W.G.G. Heer J.A.G. Baron de Vos van Steenwijk landdrost van Vollenhove etc. etc. Ao 1767.

Na ruim twee maanden blijkt de klok al klaar te zijn. Op 12 juli 1767 halen Pieter Reinders en Hendrik Jans Nettert de klok uit Amsterdam. Daarvoor krijgen ze een vergoeding van ƒ 2,- per etmaal.

In januari 1768 wordt de rekening aangeboden. Het nieuwe klokhuis heeft ƒ 746 en 17 stuivers gekost. Nieuwe klok na inruil oude ƒ 616 en 1 stuiver toebetaald. Totale kosten: ƒ 1362 en 18 stuivers. Duidelijk komt uit het boven geciteerde kerkenraadsbesluit naar voren dat het wapen van de kerkelijke gemeente maar één kaars had.

Het is niet bekend, waarom de burgerlijke gemeente Wanneperveen toen de gemeentewapens officieel werden ingevoerd (1e kwart 19e eeuw) gekozen heeft voor drie kaarsen.

Ook is niet bekend of hierover verschil van mening met de kerk is geweest. Een en ander kan toch niet aan de aandacht van verschillende mensen zijn ontgaan. Is het verschil van mening hierover misschien toch geweest en heeft het feit, dat het kerkboek dat betrekking heeft op de laatste periode van de 18e eeuw, twee bladzijden mist, hier iets mee te maken?

In de Tweede Wereldoorlog werd de klok voor omsmelting door de Duitsers weggevoerd. Gelukkig is het zover niet gekomen. De klok hangt weer in de klokkenstoel, zij het, dat een grondige schoonmaakbeurt geen overbodige luxe is.

Dit artikel is eerder gepubliceerd in het tijdschrift IJsselakademie, 1982 nr 1.

Reacties