Geplaatst door: 
Verhaal

De geschiedenis van het pand Bloemendalstraat 11 te Zwolle

Auteur: 
Jhr. J.A. Gevers

De aanleiding voor het schrijven van dit artikel vormde de openstelling van het pand Bloemendalstraat 11 te Zwolle op de Open Monumentendag van 1990.

De tot nu toe oudst bekende eigenaar van het huis is Herman van Diepenbroek. Deze was mogelijk een zoon van Kerstken van Diepenbroek, die in 1511 het burgerrecht van Zwolle verwierf, in 1524 in de raad werd gekozen en op wiens naam in 1545 een raadsherenbeker werd vervaardigd. Herman zelf komt vanaf 1546 voor in de maandrekeningen van de stad.

Op 31 mei 1554 vestigden Jasper Vrese en zijn vrouw Anna een jaarlijks rente ten behoeve van de stad "uuth een hus ende were gelegen in Sassenstrate dat Herman Dipenbroick thobehort". Zelf vestigden Herman van Diepenbroek en zijn vrouw juffer Catharina een rente op dit huis in 1569 ten behoeve van Geert ter Borch. Dan blijkt het pand als belendingen te hebben Gerrit Splinter en "Vilsterenswere", een bezitting dus van de Vilsterenshuizen. Aan de voor- en achterzijde grensde het huis aan de straat.

Zoals in akten uit die tijd gebruikelijk was werd de ligging van het huis niet nader gespecificeerd en was de vermelding van de wijk, in dit geval Sassenstraat, gewoonte. De Vilsterenshuizen vormden een stichting met als doel een aantal oude mannen en vrouwen onderdak te geven. Hiertoe hadden Herman van Vilsteren en zijn vrouw Wendelmoet van Haersolte in 1468 hun huis bij testament nagelaten. Ook ten behoeve van dit "bejaardentehuis" moet Herman van Diepenbroek een rente hebben gevestigd. In de zeventiende-eeuwse legger van deze instelling vinden we de inschrijving dat "uuth Harmen van Diepenbroeck syn huys by Betlhem" jaarlijks een bedrag van vier goudgulden en zeven stuiver moet worden betaald'. Diezelfde inschrijving vermeldt bovendien dat "nu Wolff van Ittersum" dit bedrag moet betalen. Inderdaad had deze het huis in de Bloemendalstraat op 28 februari 1595 bij een openbare verkoop aangekochts.

Bij die gelegenheid bleek het pand te bestaan uit "ein huys unnd wehre mit twie huirhuisen daerachteren, wesende also eine duergaende wehre, gelegen in Pasmansstraete". De benaming Pasmansstraat was toen de gangbare naam (verwijzend naar een der inwoners Pasman ten Holthe) voor de Bloemendalstraat, die pas zo genoemd zou gaan worden na de vestiging van de familie Van Bloemendal in het grote huis in het midden van de straat.

Wolf van Ittersum was een zoon van de gelijknamige Wolf van Ittersum en Christina van Dorth. Hij werd in 1591 als raad gekozen en in 1612 namens het stadsbestuur van Zwolle aangesteld tot afgevaardigde in de Statenvergaderingen. Als lid van de Raad van de stad stierf hij in 1637, waarna ook op zijn naam een zilveren raadsherenbeker werd vervaardigd. Zijn eerste huwelijk met Christina van Haersolte werd gezegend met de geboorte van een zoon, eveneens Wolf [de jonge] genaamd. Ter gelegenheid van zijn tweede huwelijk in 1607 deed Wolf [de oude) erfuiting jegens zijn zoon. Bij de vele goederen wordt dan genoemd "'t huyss in Passmansstraete, daer die caemener Tungeren inne woent". Dit is Johan van Tongeren, sedert 1593 raad. Hij oefende op dat ogenblik de functie van eerste kameraar uit. In 1614 zou hij ten landdage worden afgevaardigd en in 1631 als raadslid overlijden. Ook op zijn naam werd een raadsherenbeker vervaardigd. 

Toch zal Wolf de jonge niet het profijt van dit huis hebben genoten, daar hij nog vóór zijn vader overleed, zijn weduwe Aleida Sloet tot Buckhorst met een grote kinderschare achterlatend. Eerst in 1654 zouden deze kinderen de ouderlijke boedel scheiden. Van deze kinderschaar bleven tenslotte alleen Florentina. Helena, Wilhelmina en Gijsbert van Ittersum over. Als luitenant deed Gijsbert van Ittersum in juni 1662 belijdenis in de hervormde kerk. Hij werd in 1677 als raad gekozen en was burgemeester toen hij met zijn twee zusters Florentina en Wilhelmina in 1684 een testament opmaakte. Daarin wezen zij elkaar aan als erfgenaam om na hun overlijden hun bezittingen tenslotte te laten vererven op de kinderen van hun zuster Helena van Ittersum en haar man Dirk van Haersolte. Dat laatste vond plaats in 1698.

Dirk van Haersolte, eveneens militair, was in 1663 gehuwd met Helena van Ittersum en kreeg twee zonen: Arend en Wolf, genoemd naar de beide grootvaders. Deze jongens werden te Zwolle gedoopt, respectievelijk in 1664 en 1666. In die periode was Dirk van Haersolte commandeur op het huis Borculo, dat hij na een belegering door de bisschop van Munster op 18 september 1665 moest overgeven. Vrij spoedig na de geboorte van haar tweede zoon moet Helena van Ittersum zijn overleden; in 1669 hertrouwde Dirk (ook: Diederik van Haersolte tot de Lauwick) met Fosetta Hommens, die de havezate Zuthem ten zuiden van Zwolle bewoonde. 

Wolf van Haersolte huwde in 1698 met Jacoba de Rode van Hekeren. In 1704 vertrok het echtpaar uit Zwolle, om er in 1711 vanuit Lochem terug te keren. Nog geen jaar later, op 26 februari 1712, werd Wolf in de St. Michaëlskerk begraven. Zijn weduwe zou daar eerst in 1729 worden bijgezet. 

Arend van Haersolte, gemeensman van Zwolle, was bijna twee jaar ouder dan zijn broer. Na de dood van zijn schoonzuster kwam hij met de overige erfgenamen overeen dat hij het huis in de Bloemendalstraat mocht blijven bewonen, wat hij tot zijn overlijden ook deed. Op 13 oktober 1731 werd hij in de St. Michaëlskerk begraven. Zijn kinderloos overlijden en het grote aantal erfgenamen maakte het noodzakelijk een boedelinventaris op te maken. Behalve Arends aandeel in het huis in de Bloemendalstraat bezat hij onder meer ook het spieker Nyenstein in Lenthe, een katerstede in Assendorp en enige koeweiden op de Werlermars. Aan gereed geld werd voor f 3618,-- aangetroffen. De meubels in het huis lijken naar de omschrijving in de inventaris niet erg luxueus. Wel werden er twaalf familieportretten geteld, alsmede elf schilderijen met een zwarte lijst en nog twee met een vergulde lijst. Bij de boeken werden slechts acht titels vermeld.

Pas in 1734 gingen de erfgenamen over tot de openbare verkoop van de goederen. Het huis in de Bloemendalstraat werd als derde perceel geveild. Als belending wordt ook dan de Vilsterenshuizen opgegeven, welke instelling nog steeds recht had op de jaarlijkse rentebetaling. De slag bij de veiling werd behouden door Pieter Brouwer voor f 1000,--. Reeds op 25 mei 1735 maakte deze bekend dat hij het op 5 maart had doorverkocht en wel aan "juffer Tichier" voor een bedrag van f 4500,--. Deze transactie had hem dus geen windeieren gelegd.

De koopster in 1735 was Elisabeth Tichier, op dat moment 40 jaar oud. Zij was de oudste dochter van Gerhard Tichier, een uit Deventer afkomstige jurist, en Geertruid van Brakel. Gerhard Tichier had het in Zwolle weten te brengen tot burgemeester, maar stierf reeds op 48-jarige leeftijd. Zijn weduwe werd in 1734 in de Grote Kerk begraven. Daar werd in 1759 ook het stoffelijk overschot van hun dochter Elisabeth bijgezet. Het is niet onwaarschijnlijk dat zij verbouwingen aan het huis heeft laten verrichten. Het plafond in de kamer aan de straatkant kan uit die tijd dateren. Haar nalatenschap kwam terecht bij haar zuster Fenna Ingena Tichier, reeds vele jaren weduwe van de predikant Regnerus Ens. Het huis in de Bloemendalstraat zou vijf jaar later wederom vererven en wel op haar dochter Aleida Anna Ens.

Aleida Ens was in 1751 gehuwd met Gerrit Albert Podt, die het Drostenhuis aan de Melkmarkt mee ten huwelijk aanbracht. In dit huis ging het echtpaar wonen en liet dit verbouwen en verfraaien. Sindsdien prijkt daar in het stucwerk op een der schoorstenen het wapen Podt-Ens. De overige bezittingen werden verhuurd. Naast het Drostenhuis - thans de behuizing van het Provinciaal Overijssels Museum erfde hun enige dochter Geertruid Fenna Ingena Podt ook de overige roerende en onroerende goederen.

Kort na de eeuwwisseling, op 27 februari 1800, transporteerde Geertruid Podt haar huis in de Bloemendalstraat aan haar achternicht Gesina Catharina Lemker en haar man Mr. Willem Queysen. Dit echtpaar bewoonde het huis al enige jaren, in ieder geval sinds 1795. Queysen had gestudeerd te Leiden, waar hij in 1773 promoveerde. Op 10 december van dat jaar legde hij de eed als advocaat af. Pas in 1786 trouwde hij, uit welk huwelijk een vijftal kinderen werd geboren. In diezelfde tijd was de Bloemendalstraat een waar bolwerk van patriotten; niet alleen had er de bekende Johan Derk van der Capellen gewoond, maar ook trof men er Van Pallandt tot Zuthem, Pieter Feith, de wijnkoper Landman, de drost Van Isselmuden tot Paaslo en de klerk der Staten Van Hoboken aan. Ook Queysen werd tot de patriotten gerekend, misschien de reden waarom hij tot dan geen overheidsfuncties bekleedde. Eerst na de intocht der Fransen werd hij in 1796 voor het kiesdistrict Zwolle gekozen tot lid van de Nationale Vergadering. Zijn latere politieke loopbaan vereiste zijn verhuizing naar ’s Gravenhage in 1801; het Zwolse huis werd verhuurd.

In 1806 probeerde Willem Queysen het van de hand te doen, maar het leverde toen ter veiling niet genoeg op. Bewoond werd het huis door Abraham van Bommel, wiens vrouw in het jaar daarvoor was overleden. Eveneens in 1806 werd Willem Queysen door de raadpensionaris R.J. Schimmelpenninck benoemd tot lid van de Raad van State. Pas in 1810 vond hij in de persoon van Paulus Sichterman een koper.

Paulus Cornelis Adriaan Sichterman was afkomstig uit Groningen, waar zijn familie door koophandel zeer vermogend was geworden. Na zijn huwelijk met de Zwolse Sara van Muyden kocht hij de buitenplaats Dijkzicht in Berkum aan de Vecht. Daar verbleef de familie in de zomer, terwijl in het koude jaargetijde binnen de stad Zwolle werd gewoond. Uit die stad kwam ook zijn tweede vrouw Mechteld Royer, waarmee hij in 1815 trouwde. Pas later zou Sichterman een openbare functie gaan bekleden en wel van 1818 - 1834 als lid van de Provinciale Staten van Overijssel.

Reeds eerder, op 8 april 1817, werd zijn 'hegt, sterk en weldoortimmerd huis' in de Bloemendalstraat in veiling gebracht. De koper was Hendrikus Brand, "ordinaris houder", voor f 3610,-. Deze persoon was vermoedelijk dezelfde die in 1811 als pruikenmaker en later als "dienende broeder" wordt genoemd. In deze laatste functie woonde hij in de Nieuwe Concertzaal, een pand twee huizen van nummer 11 vandaan en toentertijd in huur bij de loge Fides Mutua. Deze vrijmetselaarsloge was daar terecht gekomen omdat in 1814 een fusie had plaatsgevonden met de in dat pand gevestigde "Franse" loge Union et Force. Aan die loge was ook de servant Brand verbonden geweest, die gemakshalve was overgenomen. De eigenaresse van de Nieuwe Concertzaal, de weduwe Lenz, verhuurde het huis sinds 1816 aan de provinciale ambtenaar Razoux. 

Brand en zijn vrouw Anna Maria Meyers vestigden in nummer 11 een logement dat ze de Gouden Leeuw noemden. Een eerste hypothecaire lening werd in april 1818 verstrekt door de in de Praubstraat wonende oud-militair D.J.W.J. van Raesfelt. In juni 1819 verstrekte de rooms-katholieke wijnkoper Petrus Hens een tweede lening. Op 6 december 1825 stierf op 60-jarige leeftijd Hendrik Brand, waarbij – opmerkelijk genoeg - de aangifte geschiedde door diezelfde wijnkoper. De weduwe zette de zaak voort tot zij op 12 januari 1828 het pand verkocht aan Jan Held, kastelein. Wederom was het Hens die een hypothecaire lening verstrekte. Toevallig werd een dag eerder de meergenoemde Nieuwe Concertzaal door de erfgenamen Lenz verkocht aan F.H.F. Baudet, die er een school in zou vestigen.

Jan Held, ook voorkomend als Johan Andreas Held, was blijkbaar niet uit Zwolle afkomstig. Zo werd zijn oudste dochter in 1802 te ’s Gravenhage geboren, een dochter Julia in 1804 te Hattem en een zoon Ferdinand in 1805 te Heerde. In 1826 kwam hij voor te Zwolle als fungerend postmeester der paardenposterij en had toen ruzie met de kastelein B.H. Jansen, die hem oneerlijke concurrentie zou hebben aangedaan. In datzelfde jaar noemde hij zich kastelein bij de aanstelling tot toeziend voogd over de kinderen van Herm Bosboom. Een maand na de aankoop van het logement in de Bloemendalstraat kon Jan Held ook beslag leggen op een huisje in de Krommejakke, dat toen eigendom was van Hendrik Louis Timmerman. Dit pandje, schuin tegenover de achterzijde van het logement, werd voortaan gebruikt als stal.

Anderhalf jaar later, in augustus 1830, stierf Held reeds in de leeftijd van 56 jaar. Zijn weduwe Marianne Werquin hield het logement, dan bekend onder de naam Het Nieuwe Heerenlogement, met haar kinderen draaiende. Vooral de oudste dochter Louisa Frederika Held was blijkbaar degene die de zaak dreef, daarin bijgestaan door Johannes Wilhelmus Rientjes, die ze in 1835 huwde. Dit echtpaar bezat ook enige tijd een bakkerij aan de Diezerpoortenplas. Na haar dood vestigde Rientjes zich weer in zijn  geboorteplaats Raalte om de zaak over te laten aan zijn zoon Johannes Rientjes. Op 3 oktober 1865 werd in veiling gebracht het huis "vanouds genaamd Het Nieuwe Heerenlogement" onder de voorwaarde dat de gasleidingen en -ornamenten, die afgeschroefd konden worden, niet mee verkocht werden. Voor f 5000,- werd het logement aangekocht door Teunis Hendrik Lorentz, koffiehuishouder. Volgens de annonce van de veiling was het logement gunstig gelegen en voorzien van 6 beneden- en 6 bovenkamers, gedeeltelijk geplafonneerd. Voorts was er een grote keuken, drie ruime zolders, een kelder, een pomp en een voorziening om het regenwater op te vangen.

De nieuwe eigenaar Lorentz pakte de zaak met veel elan aan en organiseerde in zijn Nieuw Koffyhuis regelmatig soirées musicales. Tal van muzikanten, zangers en zangeressen, die ook in de schouwburg optraden, wist hij voor zijn zaak te engageren. Deze vorm van ontspanning ondervond spoedig concurrentie van andere Zwolse horeca-ondernemingen. Nog in juli 1867 werden dergelijke avonden geannonceerd.

Toch was er blijkbaar een aanleiding om Het Nieuwe Heerenlogement te verkopen, waartoe het in veiling werd gebracht. Tevens riep de notaris per advertentie de debiteuren en crediteuren van Lorentz op; er moest waarschijnlijk schoon schip gemaakt worden. Aan de Ossenmarkt woonde de 25-jarige Lorentz, toen zijn vrouw Anna Mijnlief op 1 mei 1868 beviel van een dochtertje. Het gezin vertrok op 22 april 1869 naar Arnhem, de geboorteplaats van Lorentz.

In november 1867 werd het logement aangekocht door de vrijmetselaarsloge Fides Mutua voor f 5415,-- en nog f 100,-- voor de gasleidingen. De aankoop werd mede mogelijk gemaakt door een forse bijdrage van een onbekende. Voordat echter Fides Mutua het pand ten volle kon gaan gebruiken moest er nog wel het een en ander aan worden verbouwd. De financiële middelen ontbraken daartoe op dat moment. Het is dan ook ontroerend te vernemen dat één der leden, A.F.H. de Lespinasse, de opbrengst van een dichtbundel van zijn hand, "Mozaïekwerk", beschikbaar stelde voor deze verbouwing. Het boekje zou echter pas in 1870 in druk verschijnen. Door "huisvaderlijke zuinigheid" wisten de leden der loge de benodigde f 11.000,- bijeen te brengen, zodat hun medebroeder Koch de tekeningen en het bestek kon maken. De aanbesteding vond op 23 augustus 1869 plaats.

Willem Koch werd geboren te Valburg op 28 januari 1829 als zoon van de predikant Johann Diederich Conrad Koch en Fokel Geertruid Moltzer. Hij verbleef in 1857 in Groningen, waar hij bij de vrijmetselaarsloge L’Union Provinciale werd aangenomen. Aanvankelijk vestigde hij zich als bouwkundige te Zwolle, maar later, in 1863, werd hij benoemd tot stadsarchitect van Kampen. Deze functie heeft hij 30 jaar uitgeoefend, in welke periode onder meer het gebouw van het Gymnasium en H.B.S. door hem werd ontworpen. Ook was hij in Kampen leraar aan de Stadstekenschool. Met zijn broer Frederik Christiaan Koch, die 12 jaar jonger was, had hij een architectenbureau. Gezamenlijk ontwierpen ze de hervormde kerken te Heino (1867), Gramsbergen (1878) en te Genemuiden (1883) en tal van villa’s te Zwolle. Frederik Koch zelf was voorts betrokken bij de restauratie van de Grote Kerk te Zwolle (1882 - 1893) en werd bekend door zijn ontwerp van de synagoge in de Schoutenstraat (1897).

Volgens de advertentie waren het de beide broers die de verbouwing van het logement in de Bloemendalstraat begeleidden om het pand voor loge-gebruik gereed te maken. Enige jaren later zou Willem Koch voor de Kamper loge aan het tekenen gaan. Ook dit gebouw aan de Bovennieuwstraat wordt sinds 1888 nog als zodanig gebruikt. Willem Koch overleed te Kampen in 1922 op 93-jarige leeftijd.

De verbouwing van het pand aan de Bloemendalstraat werd mogelijk verhaast door de omstandigheid dat de ruimte die de loge huurde in de Nieuwstraat, aan de achterzijde van Het Wapen van Zwolle, verkocht zou worden. Dit bood tevens de gelegenheid de kastelein van dit etablissement, G.J. Rentink, als servant in dienst te nemen in de Bloemendalstraat. Hij zou er in 1903 - bijna 90 jaar oud - nog steeds wonen en werken.

De ingebruikneming van het gebouw door de vrijmetselaars geschiedde op plechtige wijze op 29 mei 1870. "Naar wij vernemen" zo verhaalde de Zwolsche Courant, "bragten deputaties van onderscheidene loges in Nederland en vele belangstellende leden der broederschap door hunne tegenwoordigheid er veel toe bij, om aan deze plegtigheid den meesten luister bij te zetten". Elf jaar eerder had het betrekken van de vorige locatie meer aandacht van de pers gehad.

De honderd en twintig jaar dat de vrijmetselaren het pand Bloemendalstraat 11 in gebruik hebben heeft uiterlijk nauwelijks sporen achtergelaten. Intern moet er evenwel het nodige zijn veranderd. Wat dat betreft waren de jaren van de Tweede Wereldoorlog het meest dramatisch. Enige dagen na de inval van de Duitse troepen werd het logegebouw opengebroken door leden van de N.S.B. Bijna de gehele inboedel is toen op straat geworpen en vernield, de bibliotheek en het archief incluis . Landelijk werd de vrijmetselaarsorganisatie verboden en werden haar bezittingen in beslag  genomen. Het logegebouw te Zwolle werd in gebruik genomen als kringhuis van de N.S.B. 

De gebeurtenissen in mei 1940 beroofden de loge Fides Mutua van het overgrote gedeelte van haar archief. Het is daarom moeilijk om over de vooroorlogse periode gegevens te vinden. Wel is bekend dat in 1903 de "voorhof" (een ruimte voor niet-rituele bijeenkomsten) en de entree werden verbeterd en verfraaid, dat er in 1919 elektrisch licht werd aangelegd en dat in 1924 het pand werd gerestaureerd. Voor deze laatste activiteit werd een hypothecaire lening gesloten van f 4000,--.

Na de oorlog kreeg de loge Fides Mutua het gebouw terug, waarna een herstel – passend bij de beperkte middelen van dat ogenblik plaatsvond. Een grondiger verbouwing werd uitgevoerd in 1960. Hierbij kreeg de bestuurskamer weer haar oorspronkelijke proporties terug en werd de binnenplaats overdekt. De zo ontstane ruimte werd gebruikt om er een keuken te maken. De voorhof werd naar achteren verlengd en in de breedte vergroot met de gang, zodat een ruime zaal ontstond. Om ruimte te winnen voor een garderobe werd de trap verplaatst. Tijdens een feestelijke bijeenkomst werd het "verjongde" logegebouw weer in gebruik genomen.

De groei van het ledental van de loge Fides Mutua bracht een aantal broeders ertoe een tweede loge te stichten, wat in 1970 – een eeuw na de ingebruikname van het eigen huis - zijn beslag kreeg. Deze loge draagt de naam In Vrijheid Gebonden. Uit deze twee loges ontstond in 1979, als resultaat van de viering van het 175-jarig bestaan van Fides Mutua, een derde: De Arbeidsvloer.

Voor een goede exploitatie van het gebouw het wordt immers ook aan andere organisaties verhuurd - was het wenselijk dat een andere beheersvorm werd gezocht. Op 1 juli 1986 "verkocht" de loge Fides Mutua het gebouw aan de Stichting Gebouw Zwolse Vrijmetselaarsloges.

Dit artikel is eerder verschenen in het tijdschrift IJsselakademie 1990 nr. 4

 

Reacties