Geplaatst door: 
Verhaal

De doodgravers en de hondenslager in Dalfsen (1699-1818)

Tot 1828 mochten de doden in de kerk begraven worden. Dat kostte evenwel een behoorlijke som geld. Zo moest in het midden van de achttiende eeuw voor een volwassene drie goudgulden (ofwel vier gulden en vier stuiver) worden betaald en voor een kind de helft. Zij die dit niet op konden brengen moesten genoegen nemen met een plek op de dodenakker rondom de kerk. De allerarmsten werden op kosten van de diaconie begraven.

In 1747 besloot de kerkenraad het maken van doodkisten voor overleden bedeelden bij inschrijving aan de laagst biedende te gunnen. Op de kerkenraadsvergadering van 1 mei deelde diaken Asman zijn ambtsbroeders mee, dat Hendrik Remmelts kisten kon leveren voor de prijs van 44 stuiver voor overledenen van dertien jaar of ouder en 22 stuiver voor kinderen beneden die leeftijd.

Men kende in vroeger eeuwen in de Gereformeerde Kerk geen kerkelijke uitvaartdienst. De calvinistische opvatting over de uitverkiezing Gods verzette zich daartegen; een lijkpredicatie zou gemakkelijk kunnen ontaarden in een lofprijzing op de overledene. Vóór de begrafenis kwam de predikant in het huis waar de gestorvene stond opgebaard met de nabestaanden bijeen voor een korte plechtigheid. De teraardebestelling zelf werd door buren en familie verzorgd, die voor het luiden van de kerkklok contact opnamen met de koster, en met de doodgraver voor het openen of delven van het graf.

 

 

Uit de acta van de kerkenraad kennen wij de namen van vier doodgravers. Wanneer zij onderwerp van beraadslaging zijn, wordt ook steeds gesproken van een andere taak, namelijk die van hondenslager. Eens zal met deze term letterlijk de persoon bedoeld zijn die honden buiten de kerk moest zien te houden. Maar in de zeventiende en achttiende eeuw was de hondenslager in de Gereformeerde Kerk de man die belast was met de handhaving van rust en orde tijdens de kerkdiensten.

De eerste vermelding van een doodgraver en hondenslager in de Dalfser acta is van 24 februari 1699. Dominee Theodorus Brouwer (16891730) uitte tegenover de kerkenraad de klacht, dat tijdens de kerkdiensten nogal eens "onmannierlijkheden" voorkwamen. Hij stelde daarop voor iemand te benoemen die na het gebed de kerkdeuren moest sluiten, zodat "het troebel van uijt en inkomen buijten tijds" zou ophouden. De kerkenraad stemde met dit voorstel in en Jacob de doodgraver werd met deze taak belast.

Jacob moet tot omstreeks de herfst van 1708 als doodgraver en hondenslager werkzaam zijn geweest. Op 8 oktober van dat jaar verscheen zijn weduwe met haar stiefzoon in de kerkenraadsvergadering, met het verzoek hem tot opvolger van zijn overleden vader te benoemen. De kerkenraad gaf zijn goedkeuring op voorwaarde dat de jongen zijn best zou doen de verstandhouding met zijn stiefmoeder en de andere kinderen in het gezin te verbeteren. Zijn aanstelling zou daarom voorlopig zijn en hij zou het werk tegen de helft van de gebruikelijke beloning moeten doen. Omdat wij niets over zijn officiële benoeming vernemen, neem ik aan dat deze stilzwijgend verleend is. Het lijkt mij niet waarschijnlijk dat de jonge doodgraver mans genoeg geacht werd om ook de orde onder de jeugd te handhaven. Het zou mij niet verbazen als deze taak voorlopig aan stoelbewaarder Peter Vonke zal zijn opgedragen. Immers, pas op 3 mei 1744 werd de doodgraver opnieuw tot hondenslager aangesteld.

 

 

In de kerkenraadsvergadering van 26 maart 1759 wordt melding gemaakt van het overlijden van doodgraver Gerrit van Straten. Zekerheid dat deze dezelfde is die in 1708 benoemd werd heb ik niet, omdat diens naam toen niet vermeld werd. Ik ga er evenwel van uit dat het inderdaad om dezelfde persoon gaat, omdat de acta - die doorgaans zeer uitvoerig zijn - geen gewag maken van een andere doodgraver. Uit de sollicitanten werd in diezelfde vergadering Hendrik Holthuis, schoenmaker in het kerkdorp, tot opvolger van Van Straten aangesteld. Er werd een instructie voor hem opgemaakt die vier punten bevatte. Na een begrafenis in de kerk diende hij de "gevloerde grafsteden" vlak te maken. Verder moest hij ervoor zorgen dat het kerkhof er netjes bij lag, onder andere door van tijd tot tijd oude graven te ruimen. Tot zijn taak behoorde daarnaast het onderhoud van het pad rondom de kerk en van de toegang naar de kerkdeuren. De paden moesten zó breed zijn dat een lijkstoet er naar behoren langs kon. Voor zijn werk als hondenslager zou hij geen extra beloning ontvangen, hoewel hij verplicht was bij alle godsdienstoefeningen aanwezig te zijn of voor een vervanger te zorgen. Steeds moest hij bij zich hebben "een stok en teken om daar (...) alle rumoer en stooring van godsdienst zoo binnen als buijten de kerk, die door honden, kinderen, off iets anders mogte aangerigt worden, te stillen en te stuijten". Tenslotte viel onder zijn verantwoordelijkheid als hondenslager het sluiten van de kerkdeuren en de zorg dat zij tijdens de preek dicht bleven.

 

 

Dat het onderhoud van het kerkhof beslist een niet te onderschatten onderdeel van de werkzaamheden van de doodgraver was, blijkt uit de beschrijving van de toestand van de begraafplaats, die dominee Johannes Willem Lunneschlos (1760-1784) in de vergadering van 5 mei 1767 aan de kerkenraad gaf. Bij de minste regenval stonden de paden al onder water. Eigenlijk was het hele kerkhof hard aan een grote opknapbeurt toe. De kerkenraad was het met de predikant eens, maar er was geen geld voor. Men opperde het idee, vanaf de preekstoel mensen op te roepen om onder leiding van de kerkenraad het noodzakelijke onderhoudswerk "pro deo" uit te voeren. Of dat ook gebeurd is weet ik niet, maar klachten over de slechte toestand van de kerkhofpaden komen we in de acta verder niet tegen.

Op de 9e van bloeimaand (mei) 1810 besloot de kerkenraad lantaarns op het kerkhof te plaatsen en de kerkmeesters kregen met ingang van de eerste van slachtmaand (november) van dat jaar de zorg voor het aansteken van de vier olielampen, en het op peil houden van de voorraad olie.

Na de dood van Hendrik Holthuis werd op 8 oktober 1783 bij wijze van pensioen de functie aan zijn dochter Gerrigje, weduwe van Gosen Zwart, gegund. De kerkenraad begreep wel dat zij als moeder van twee kleine kinderen dit zware werk niet alleen kon doen en daarom werd Hendrik Janssen, bijgenaamd Haanen Hendrik, tot haar hulp aangesteld. Hij zou daarvoor de helft van de inkomsten genieten, waaronder de rogge en boekweit die sommige boeren verplicht waren aan de doodgraver af te dragen.

Het lijkt mij aannemelijk dat de taak van ordebewaarder bij deze gelegenheid door de koster werd overgenomen. Althans, op 22 mei 1818 stelde de kerkenraad Hendrik Neervoort als hulp van de toenmalige koster-voorzanger Helmich van Kuik aan. Deze werd nu oppasser genoemd, maar zijn taak was blijkens zijn instructie dezelfde als die van de vroegere hondenslager Hendrik Holthuis. Behalve de verandering van naam was er echter ook een verschil met zijn voorganger, want naast een jas en een stok ontving Neervoort een jaarlijkse beloning van twaalf gulden.

Dat een oppasser ook in de negentiende eeuw blijkbaar nog in een behoefte voorzag, bewijst de klacht die op de kerkenraadsvergadering van 21 augustus 1815 werd geslaakt, namelijk dat de avondkerkdienst "geduurig gestoord werd door rumoer, speelen en gedruisch van grooten en kleinen rondom de kerk".

 

Dit artikel, van de hand van Freek Pereboom, is eerder gepubliceerd in IJsselakademie nr. 4 december 1994.

Reacties