Geplaatst door: 
Verhaal

Bezetting, Bevrijding: Ik ben Orfeo

Ik ben Orfeo

Ik mag niet kijken. Achter me hoor ik Shira kreunen. Maar ik mag niet kijken. Ik moet doorlopen, niet omkijken, doorlopen. “Au!”, roept Ester. Ik draai me om. Ze ligt op de grond. Ik wil naar haar toe lopen om haar overeind te helpen. “Eine Jude! Sie ist eine Jude!” roept een Duitse soldaat. “Dort! Drei Juden!” De soldaten komen op ons af gerend. Ze grijpen Shira en Ester vast. “Nee!”, roep ik. “Alstublieft! Wacht nou!” Ik wil achter ze aan rennen, maar ik word tegengehouden. “Mama!”, roept Shira. Haar stem galmt na in mijn hoofd, als een klaagzang. Ik kan ze niet meer zien.
 

Met een schok word ik wakker. “Mama?” Shira staat naast me. Ze trekt aan mijn arm. “Mama, ben je ziek?” “Nee hoor, ik heb het alleen een beetje warm, ga maar weer slapen.” Ik til haar op en leg haar naast me in bed. Na een paar minuten hoor ik weer haar regelmatige ademhaling. Ik zucht. Was Uri maar hier. Ik houd niet van deze oneindige nacht. Het laatste wat hij tegen me zei, was: “Denk eraan, ik ben altijd bij je, ik ben jouw licht in de duisternis. Jouw Uri.” Toen werd hij opgepakt. Omdat ik wist dat wij snel zouden volgen, ben ik ondergedoken samen met Shira en Ester. Ze snapten het nog niet, ze waren nog zo jong. Ze vroegen ook vaak naar papa, maar na een half jaar leek het tot ze door te dringen dat papa voorlopig niet terug zou komen. En nu vragen ze vrijwel niet meer naar hem. Zouden ze hem vergeten zijn? Op deze verduisterde zolderkamer komt geen licht meer, behalve als het raam openstaat. Alles wat hierbinnen gezegd wordt, blijft in de ruimte hangen tot het raam opengaat. Dan verwaaien de woorden en de herinneringen. Zo gaat het dag in dag uit, al een jaar lang. Hoe lang precies weet ik niet eens, hoe lang het nog gaat duren weet ik al helemaal niet. Zou er ooit wel een eind aan komen? Heeft het wel zin om hier te blijven zitten? Op een dag zullen ze ons toch wel vinden en meenemen. Kunnen we ons niet beter meteen overgeven? Ik kijk opzij, naar de plek waar Ester en Shira liggen, maar ik kan ze niet zien in het donker. Ik kan ze wel horen. Ik denk weer aan Uri. Nee, opgeven kan niet. Mag niet. Uri komt terug. Als het weer ochtend wordt.
 

Hoe lang is het wel niet geleden dat ik viool heb gespeeld? Het moet wel meer dan een jaar zijn geweest. En hoewel Ester en Shira niet meer naar hun vader vragen, vragen ze nog wel naar mijn viool. “Mama, waarom speel je nooit meer?” Ik heb het ze al zo vaak verteld, maar ze willen het gewoon niet accepteren, ze missen de muziek, en ik ook. “Dat heb ik toch al verteld, Ester? We moeten heel stil zijn. Niemand mag ons horen, en de viool maakt teveel geluid.” “Ah, toe nou mama. Eén stukje maar! Alleen de Melodie.” De Melodie. De Melodie uit de opera Orfeo ed Euridice. Het is een prachtig stukje muziek, van maar drie minuten, afkomstig uit een opera die een prachtig liefdesverhaal beschrijft. Een liefdesverhaal dat mij nachtmerries bezorgt. Sinds de ramen zwart zijn geverfd en we het daglicht nog maar weinig zien, sinds we opgesloten zitten met onze gedachten die maar af en toe de kans krijgen om te ontsnappen door het open raam, zo lang heb ik al last van de nachtmerries. Of beter gezegd, nachtmerrie. Elke keer dezelfde droom. Ik zie hoe mijn kinderen van mij weggenomen worden, ik zie het gebeuren, maar ik kan niets doen. Ik kan mijn kinderen horen kreunen, maar ik mag niet omkijken. Ik mag niets ondernemen, behalve doorlopen zonder stoppen; rustig blijven zitten. Want als ik naar buiten ga, als ik omkijk, word ik ontdekt. Dan nemen ze Ester en Shira van me weg. En het ergste is nog dat ik niets kan doen. Dat is de harde waarheid achter dat ‘prachtige’ liefdesverhaal van Orfeo en Euridice.
 

Ik mis de muziek. Hoewel het denken aan de Melodie me pijn doet, doet het denken aan de stilte nog veel meer pijn. En de werkelijke stilte hangt als een dikke mist om me heen. Het is donker. Het is nacht. Maar over een paar uur is het geen ochtend. Nee, het blijft nacht. Shira en Ester worden straks wakker. Zij zijn de maan aan de nachtelijke hemel. Een weerkaatsing van het licht van Uri. Mijn laatste herinnering aan hem. Die maan doet mij hopen dat de zon ook weer op zal komen, op een dag. Het verhaal van Orfeo en Euridice liep goed af, dus waarom dat van mij niet? Nee, ik ben naïef. Als een klein kind. Ik weet wat er met Uri gebeurd is nadat hij is opgepakt. Weggevoerd, vermoord. Misschien met een beetje uitstel of vertraging, maar zelfs daar is geen goede reden voor. Ik zal Uri weer zien, maar niet hier, niet nu.
 

Nu heb ik alleen nog de maan. De weerkaatsing van het zonlicht. Een prachtige weerkaatsing. Mijn meisjes. Ik weet nog als de dag van gisteren de maansverduistering. Meneer de Vries kwam boven met een pot zwarte verf. “Mama”, vroeg Ester aan mij, “waarom verft oom Karel het raam zwart? Het wordt nu helemaal donker.”
“Oom Karel”, zei Shira, “waarom verft u het raam zwart? Zo kunnen we niets meer zien. Mogen we soms niet meer naar buiten kijken?” “Nee”, zei oom Karel. “Jullie mogen niet naar buiten kijken. Als je kijkt, gaat het fout.” Meneer de Vries zei altijd waar het op stond.
“Net als in het verhaaltje van de Melodie, mama?” vroeg Ester. Ester was toen bijna vijf. Die nacht had ik mijn eerste nachtmerrie.
Soms kan ik zo boos zijn. Waarom moeten mijn kinderen opgroeien op een donkere zolderkamer, waar alleen een straaltje licht binnenkomt als het raam op een kiertje openstaat? Waarom kunnen ze niet zorgeloos buitenspelen? Waarom mogen ze niet naar school? Al is het dan met zo’n stomme ster op hun jas. Wat haat ik die sterren. En Uri heeft het geweten. Ik heb het hem vaak genoeg gezegd. Wij krijgen een labeltje omdat we anders zijn. Omdat we Joods zijn en omdat je dat aan ons kunt zien. Maar een labeltje is niet goed genoeg. Nee! Alle Joden moeten weg. Joden zijn Untermenschen. Maar waarom? Niemand zal het je kunnen zeggen. Ja, ze zeggen zoveel, maar het klopt allemaal niet.
 

Maar wat doe je eraan? Meneer de Vries, hij doet er wat aan. Hij doet wat hij kan. Het enige wat hij kan doen, is ons wegstoppen op een zoldertje en zorgen dat de Duitsers er niet achterkomen dat we hier zijn. Ik zucht en draai me om. Naast me hoor ik de vredige, regelmatige ademhaling van Shira en Ester.
Maar wat doe ík eraan? Het enige wat ik kan doen, is stil zijn en niet kijken.
 

Ik mag niet kijken.

Else van der Steeg
Gymnasium Celeanum
april 2014

Reacties